Phrissotrichum tubiferum (Gyllenhal, 1833)

Coleoptera, Apionidae

op Cistus

on Cistus

gal: één tot drie larven ontwikkelen zich in een bloem; ze vreten aan de zich ontwikkelende zaden in de doosvruchten. Hier ook de verpopping, in een zachte bruine cocon. De vruchten zijn niet vervormd. De aantasting is te herkennen doordat na het afvallen van de bloemen de verdroogde meeldraden aan de vrucht blijven hangen (en evt. ook aan het gaatje waardoor de kever de vrucht heeft verlaten).

gall: one to three larvae develop in a flower; they feed on the developing seeds in the capsules. Here also the pupation in a soft brown cocoon. The capsules are not disfigured. The infection is recognisable because, after the flower is dropped, the dry stamens remain attached to the capsule (eventually also by the exit hole of the beetle).

waardplanten: Cistaceae, monofaag

hostplants: Cistaceae, monophagous

Cistus salviifolius.

literatuur:

references:

Ehret (1990a, 1997a), Germann & Moretti (2006a), Tomasi (2012a).

02/09/2014