Lipara lucens Meigen, 1830

Diptera, Chloropidae

op Phragmites

on Phragmites

Phragmites australis, gal, ook na verwijderen van de bladscheden; Denemarken © Simon Haarder

Lipara lucens: galls on Phragmites australis

Phragmites australis, gall, also after removal of the leaf scheaths; Denmark © Simon Haarder

Phragmites australis, België, prov. Luxemburg, Arlon; © Jean-Yves Baugnée

Lipara lucens gall Lipara lucens gall, opened

Phragmites australis, Belgium, prov. Luxembourg, Arlon; © Jean-Yves Baugnée

puparium, opgehelderd

Lipara lucens puparium

puparium, made transparant

gal De larve begint zijn bestaan tussen de jongste bladeren maar boort zich al spoedig door het groeipunt heen naar beneden en voedt zich daarna met het inwendige van de top van de stengel. De bovenste 6-8 stenggelleden zijn door de verstoring van het groeipunt zeer sterk verkort, hun bladscheden zijn sterk samengetrokkken. De solitaire, ivoorwitte larve ligt in een larvekamer juist onder het groeipunt; de wand van de larvekamer is bruin, sterk verdikt, na de zomer verhout. Eén generatie per jaar, verpopping in de gal, na de overwintering. De maximale dikte van de gal is meer dan tweemaal zo groot is die van het eronder gelegen stengellid.

gall The larva begins its life between the youngest leaves but soon its bores itself down through the growing point and thence feeds on in inside of the very tip of the stem The topmost 6-8 internodes are completely shortened, their leaf sheaths are strongly compacted. The solitary, yellowish white larva lies in a chamber just below the growing point; after the summer the chamber's wall is sclerified. Monovoltine, pupation internal, after hibernation. The maximal thickness of the gall is more than twice the thickness of the stem just below.

waardplanten: Poaceae, monofaag

hostplants: Poaceae, monophagous

Phragmites australis.

inquilinen In Lipara gallen leven als inquilinen Anthomyza collini, Cryptonevra diadema, C. flavitarsis, C. nigritarsis, Incertella zuercheri en Calamoncosis minima. Lestodiplosis gracilis en vermoedelijk ook Cleigastra apicalis leven er als predator.

literatuur

references

Abraham & Carstensen (1982a), Baetens & De Bruyn (1999a), Bellmann (2012a), De Bruyn, Vandevyvere, Jaminé & Prinsen (1997), Buhr (1065a), Chinery (2011a), Chvála, Diskočil, Mook & Pokorný (1974a), Coulianos & Holmåsen (1991a), Dauphin & Aniotsbehere (1997a), Deckert & Deckert (2016a), Grochowska (2008a,b), Koops (2013a), Lambinon, Schneider & Feitz (2001b), Lehmann & Flügel (2012a), Nartshuk (2011a), Redfern & Shirley (2011a), Spooner & Bowdrey (2012a), Roskam (2009a), Ruppolt (1957a), Schwarzländer & Häfliger (2000a), Tomasi (2014a), Waitzbauer (1969a), Waitzbauer, Pruscha & Picher (1972a).

30/09/2016