Coleosporium tussilaginis sensu lato

Fungi, Uredinales, Coleosporiaceae

op Pinus

on Pinus

Pinus sylvestris, België, prov. Luik, Gemmenich: aecia; © Jean-Yves Baugnée: aecia

Coleosporium tussilaginis aecia

Pinus sylvestris, Belgium, prov. Liège, Gemmenich: aecia; © Jean-Yves Baugnée: aecia

gal: de aecia beursvormig en plat, vaak in een rijtje, meestal bovenzijdig.

gall: aecia purse-shaped, flattened, often several in a row, epiphyllous

spermogonia, aecia: Pinaceae, monofaag

spermogonia, aecia: Pinaceae, monophagous

Pinus mugo, nigra & subsp. laricio, pinaster, sylvestris etc..

alleen op twee-naaldige dennen.

only on two-needled species,

synoniemen: als collectieve aanduiding voor het aecia-stadium van alle Coleosporium-soorten wordt wel de naam Peridermium oblongisporum Fuckel, 1870, gebruikt.

synonyms: to collectively indicate the aecia stage of all Coleosporium species, sometimes the name Peridermium oblongisporum Fuckel, 1870, is used.


op verschillende kruiden

on various herbaceous plants

gal: de teliosporen zijn als basalt-zuiltjes gerangschikt, aan de bovenzijde bedekt door een was-achtige laag. Aanvankelijk zijn ze eencellig, maar uiteindelijk treedt een reductiedeling op en vormen ze een keten van vier cellen. Elk kiemt onder vorming van een steeltje (foto hierboven) aan de top waarvan een spore wordt gevormd (Mims & Richardson).

gall: the teliospsores are arragned like basalt columns, on top covered by a layer of a waxy substance. Initially they are one-celled, but in the end meiosis takes place, resulting in a chain of four hapoid cells. Each one germinates under formation of a sterigma (picture above), on top of which eventually a spore will be formed (Mims & Richardson).

uredinia, telia: zie de verschillende soorten binnen het complex. Maar van de volgende plantensoorten is niet bekend door welke kleine soort zij worden geparasiteerd:

uredinia, telia: see the different species within the complex. But of the following plant species it is not known by which small species they are parasitised:

Chrysanthemum; Chrysophthalmum dichotomum; Hertia; Ismelia carinata; Rhynchocorys elephas.

synoniemen: de volgende soorten worden binnen Europa tot het complex C. tussilaginis gerangschikt: Coleosporium aposeridis, asterisci-aquatici, cacaliae, campanulae, carpesii, cerinthes, doronici, euphrasiae, inulaem kleiniae,ligulariae, melampyri, narcissi, petasitis, pulsatillae, senecionis, sonchi, telekiae, tropaeoli, tussilaginis..

opmerkingen: De Europese soorten van het geslacht Coleosporium zijn morfologisch niet van elkaar te onderscheiden. Biologisch verschillen ze echter duidelijk van elkaar doordat ze voor de vorming van uredinia en telia gespecialiseerd zijn op verschillende planten. Sommige auteurs behandelen ze als een complex van een enkele variabele soort, tussilaginis (bijv. Termorshuizen & Swertz), terwijl anderen ze als afzonderlijke soorten zien (bijv. Klenke & Scholler). Helfer (2013a) heeft voorgesteld om het complex te behandelen als een klein aantal formae speciales van tussilaginis, maar de voorgestelde indeling was willekeurig en niet onderbouwd.

Het relatief geringe aantal morfologische kenmerken dat voor veel schimmels beschikbaar is voor het onderscheid tussen soorten heeft veel decennia lang de discussie gevoed of er een ruim, dan wel een nauw soortbegrip moet worden gehanteerd. Recent moleculair-biologisch onderzoek heeft overwegend het gelijk aangetoond van een nauw soortbegrip. In afwachting van een dergelijke analyse van het geslacht Coleosporium lijkt het raadzaam, en ook biologisch het meest informatief, om de in het verleden beschreven soorten als geldig te beschouwen.

Eerlijkheishalve moet worden vermeld dat Maier ea (2003a) geen verschillen aantrorfen in het DNA van C. cacaliae, campanula en tussilaginis, maar hun onderzoek had betrekking op de gehele groep van de roesten, niet op ditenkele genus.

notes: The European species of the genus Coleosporium are morphologically indistinguishable. However, biologically they are clearly separated by specialisation of the uredinial and telial stage on different plants. Some authors deal with the situation by taking all as a single variable species, tussilaginis (e.g., Termorshuizen & Swertz), while others treat all species as independent forms (e.g., Klenke & Scholler). Helfer (2013a) has proposed a solution by grouping all described species into a limited number of formae speciales of tussilaginis, but the result was arbitrary and not well-founded.

The relatively low number of morphological characters that in mycology are available for the discrimination of species has for many decennia fed the discussion about the ideal width of the species conccept. Recent molecular studies have shown that in most cases a narrow species concept is to be favoured. Awaiting such a study of the genus Coleosporium it seems advisable, and biologically also most informative, to consider the species described in the past as valid ones.

In fairness it must be noted that Maier ao (2003a) did not find differences in the DNA of C. cacaliae, campanula and tussilaginis; but their study was aimed at the rust fungi as a group, not on this particular genus.

literatuur

references

Bahcecioglu & Kabaktepe (2012a), Doppelbaur (1968a, 1973a), Ellis & Ellis (1997a), Gäumann (1959a), Gjaerum (1970a, 1982a, 1986a, 1987a), Heger & Böhner (2006a), Helfer (2003a), Henderson (2000a, 2004a), Henricot & Denton (2004a), Jost (1987a), Karadžić & Milijašević (2008a), Kozłowska, Mułenko & Heluta (2015a), Kruse (2014a), Kruse & Jage (2014a), Ludwig (1974a), Maier, Begerow, Weiß & Oberwinkler (2003a), Mims & Richardson (2005a), Mułenko, Sałata & Wołczańska (1995a), Negrean (1996a, 1997a), Poelt & Zwetko (1997a), Preece & Hick (1994a), Redfern & Shirley (2011a), Riegler-Hager (2002b), Ruszkiewicz-Michalska (2006a), Schmid-Heckel (1985a), Termorshuizen & Swertz (2011a), Tomasi (2003a), Tunali, Yildirim, Aime, Hernández & Berner (2005a), Vanderweyen & Fraiture (2007a), Woods, Stringer, Evans & Chater (2015a).

24/02/2017