Erysiphe grossulariae (Wallroth) de Bary, 1870

Fungi, Ascomycota, Leotiomycetes, Erysiphales, Erysiphaceae

op Ribes

on Ribes

gal: mycelium beiderzijdig, dun, wit soms ± blijvend, geen misvormingen veroorzakend. Appressoria gelobd. Conidia solitair gevormd, zonder fibrosine-lichaampjes, elliptisch. Basale cel van de conidiofoor cylimdrisch. Cleistothecia met 3-8 asci, die 3-5 sporen bevatten. Aanhangsels 8-15, equatorial, 1-1.5 x de diameter; ze zijn star, tamelijk recht, onvertakt, niet of alleen basaal gesepteerd, hyalien; uiteinden enige malen opeen dichotoom vertakt.

gall: mycelium amphigenous, thin, white, sometimes ± persistent, not causing malformations. Appressoria lobed. Conidia formed one by one, without fibrosin bodies, elliptic. Foot-cell of conidiophore cylindric. Cleistothecia with 3-8 asci, containing 3-5 spores. Appendages 8-15, equatorial, 1-1.5 the diameter; they are stiff, unbranched, not or only basally septate, hyaline; apices several times forked in quick succession.

waardplanten: Grossulariaceae, monofaag

hostplants: Grossulariaceae, monophagous

Ribes alpinum, americanum, nigrum, rotundifolium, rubrum, sanguineum, spicatum, uva-crispa.

synoniemen: Microsphaera grossulariae (Wallroth) Léveillé, 1851.

synonyms: Microsphaera grossulariae (Wallroth) Léveillé, 1851.

literatuur:

references:

Braun (1995a), Braun & Cook (2012a), Bresinsky (2016a), Jage, Kruse, Kummer ao (2013a), Klenke & Scholler (2015a), Kozłowska, Mułenko & Heluta (2015a), Ruszkiewicz-Michalska (2006a).

19/04/2017