Erysiphe intermedia (Braun) Braun, 2010

Fungi, Erysiphaceae

op Lupinus

on Lupinus

gal: mycelium, beiderzijdig. Appressoria min of meer sterk gelobd. Conidia solitair gevormd, elliptisch, zonder fibrosine-lichaampjes. Basale cel van de conidiofoor gewoonlijk recht. Cleistothecia met 3-12 asci, die 3-5 sporen bevatten. Aanhangels 8-25, ± equatoriaal, 2-6 (12) x de diameter; ze zijn niet mycelioid, bochtig, 0-1 septaat, hyalien, onvertakt; de toppen zijn slechts zelden 1-2(3) los dichotoom vertakt, maar meestal onvertakt.

gall: mycelium amphigenous. Appressoria more or less strongly lobed. Conidia formed solitary, elliptic, without fibrosin bodies. Foot cell of the conidiophore generally straight. Cleistothecia with 3-12 asci, that contain 3-5 spores. Appendages 8-25, ± equatorial, 2-6 (12) x the diameter; they are not mycelioid, flexuous, 0-1 septate, hyaline, unbranched; the apices are only rarely 1-2(3) times loosely dichotomously forked, but mostly simple.

waardplanten: Fabaceae, monofaag

hostplants: Fabaceae, monophagous

Lupinus albus, angustifolius, arboreus, arcticus, hartwegii, luteus, micranthus, mutabilis, nanus, nootkatensis, perennis, pilosus, polyphyllus.

synoniemen: Microsphaera trifolii var. intermedia Braun, 1985.

synonyms: Microsphaera trifolii var. intermedia Braun, 1985.

literatuur:

references:

Beenken & Senn-Irlet (2016a), Braun (1995a), Braun & Cook (2012a), Klenke & Scholler (1995a).

11/12/2016