Erysiphe mori (Miyake) Braun & Takamitsu, 2000

Fungi, Ascomycota, Leotiomycetes, Erysiphales, Erysiphaceae

op Morus

on Morus

gal: mycelium beiderzijdig, vooral bovenzijdig, verspreid, bijna blijvend. Appressoria gelobd tot meervoudig gelobd, enkel of gepaard. Conidia solitair gevormd, elliptisch, zonder fibrosine-lichaampjes. Basale cel van de conidiofoor aan de basis gebogen. Cleistothecia met 3-7 asci die 4-5 sporen bevatten. Aanhangsels 8-26, equatoriaal, 1-1.5 x de diameter; ze zijn stijf met in de distale helft een scherpe knik, hyalien, zonder septen (of 1 sept aan de basis). Uiteinde niet verdikt, dicht haakvormig ingerold.

gall: mycelium amphigenous, mainly epiphyllous, effuse, almost persistent. Appressoria lobed to multilobled, single or paired. Conidia formed solitary, elliptic, without fibrosin bodies. Foot cell of conidiophore curved at the base. Cleistothecia with 3-7 asci, containing 4-5 spores. Appendages 8-26, equatorial, 1-1.5 x the diameter; they are stiff, sharply bent in the distal half, hyaline, aseptate (or 1 basal septum); apex not enlarged, tightly circinate.

waardplanten: Moraceae, monofaag

hostplants: Moraceae, monophagous

Morus alba, nigra, rubra.

synoniemen: Uncinula mori Miyake, 1907.

synonyms: Uncinula mori Miyake, 1907.

literatuur:

references:

Braun (1995a), Braun & Cook (2012a), Klenke & Scholler (2015a).

02/12/2015