Erysiphe paeoniae Zheng & Chen, 1981

Fungi, Ascomycota, Leotiomycetes, Erysiphales, Erysiphaceae

op Paeonia

on Paeonia

gal: mycelium beiderzijdig, vaak wit en blijvend. Appressoria gelobd, enkel of gepaard. Conidia solitair gevormd, elliptisch, zonder fibrosine-lichaampjes. Cleistothecia met 3-12 asci, die 3-6 sporen bevatten. Aanhangels in zeer uiteenlopende aantallen, sub-equatoriaal, 0.3-1 x de diameter; ze zijn mycelioid, zwak gesepteerd, ± hyalien, wrattig, meestal sterk, zelfs koraalachtig vertakt.

gall: mycelium amphigenous, often white and persistent. Appressoria lobed, single or paired. Conidia formed solitary, elliptic, without fibrosin bodies. Cleistothecia with 3-12 asci, that contain 3-6 spores. Appendages in very variable numbers, sub-equatorial, 0.3-1 x the diameter; they are mycelioid, weakly septate, ± hyaline, verrucose, mostly strongly branched, almost coralloid.

waardplanten: Paeoniaceae, monofaag

hostplants: Paeoniaceae, monophagous

Paeonia anomala, coriacea, lactiflora, officinalis & subsp. microcarpa, peregrina, wittmanniana.

literatuur:

references:

Beenken & Senn-Irlet (2016a), Braun (1995a), Braun & Cook (2012a), Klenke & Scholler (2015a), Piątek (2004a).

11/12/2016