Erysiphe punicae Achundov, 1987

Fungi, Erysiphaceae

op Punica

on Punica

gal: mycelium bovenzijdig, dun, grijswit. Appressoria meestal min of meer duidelijk gelobd, soms tepelvormig, gewoonlijk enkel. Conidia solitair, zonder fibrosine-lichaampjes, cylindrisch. Basale cel van de conidiofoor meestal recht. Cleistothecia met 3-10 asci, die 3-4 sporen bevatten. Aanhangsels meestal talrijk, sub-equatorial, 0.3-2.5 x de diameter; ze zijn mycelioid, onvertakt, onduidelijk gesepteerd, meestal hyalien.

gall: mycelium epiphyllous, thin, greyish white. Appressoria more or less clearly lobed, sometimes nipple-shaped, mostly solitary. Conidia solitary, without fibrosin bodies, cylindrisch. Foot-cell of conidiophore mostly straight. Cleistothecia with 3-10 asci, containing 3-4 spores. Appendages generally numerous, sub-equatorial, 0.3-2.5 the diameter; they are mycelioid, unbranched, indistinctly septate, mostly hyaline.

waardplanten: Lythraceae, monofaag

hostplants: Lythraceae, monophagous

Punica granatum.

literatuur:

references:

Braun (1995a), Braun & Cook (2012a), Klenke & Scholler (2015a).

08/12/2015