Erysiphe sedi Braun, 1981

Fungi, Erysiphaceae

op Crassulaceae

on Crassulaceae

gal: mycelium beiderzijdig, goed ontwikeld, vaak in dichte witte plekken, ± blijvend. Appressoria gelobd, enkel of gepaard. Conidia solitair, elliptisch, zonder fibrosine-lichaampjes. Basale cel van de conidiofoor recht. Cleistothecia met 2-4 asci, die 2-5 sporen bevatten. Aanhangsels 5-20, sub-equatoriaal, 0.5-3 x de diameter; ze zijn mycelioid, gesepteerd, onvertakt, uiteindelijk bruin.

gall: mycelium amphigenous, well developed, often in dense white patches, ± persistent. Appressoria lobed, single or paired. Conidia solitary, elliptic, without fibrosin bodies. Foot-cell of conidiophore straight. Cleistothecia with 2-4 asci, containing 2-5 spores. Appendages 5-20, sub-equatoial, 0.5-3 x the diameter; they are mycelioid, sepatate, unbranched, eventually brown.

waardplanten: Crassulaceae, oligofaag

hostplants: Crassulaceae, oligophagous

Aeonium decorum; Chiastophyllum oppositifolium; Hylotelephium erythrostictum, maximum, pallescens, telephium; Kalanchoe pinnata; Phedimus selskianus; Rhodiola rosea; Sedum aizoon, album, confusum, forsterianum, hispanicum, hybridum, kamtschiaticum, mexicanum, pallescens, sarmentosum, spectabile, urvillei.

literatuur:

references:

Ale-Agha, Boyle, Braun, Butin, Jage, Kummer & Shin (2008a), Beenken & Senn-Irlet (2016a), Braun (1995a), Braun & Cook (2012a), Klenke & Scholler (2015a).

11/12/2016