Erysiphe ulmariae Desmazières, 1846

Fungi, Erysiphaceae

op Filipendula

on Filipendula

gal: mycelium beiderzijdig, ook op de stengels, blijvend alleen nabij de cleistothecia. Appressoria gelobd. Conidia solitair, elliptisch, zonder fibrosine-lichaampjes. Cleistothecia met 6-16 asci, die 6-8 sporen bevatten. Aanhangels sub-equatoriaal, soms equatoriaal, 0.3-6 x de diameter; ze zijn mycelioid, niet of weinig en onregelmatig vertakt, gesepteerd, aanvankelijk hyalien, uiteindelijk geel tot bruin.

gall: mycelium amphigenous, also in the stems, persistent only around the cleistothecia. Appressoria lobed. Conidia solitary, elliptic, without fibrosin bodies. Cleistothecia with 6-16 asci, that contain 6-8 spores. Appendages sub-equatorial, sometimes equatorial, 0.3-6 x the diameter; they are mycelioid, not or little and irregularly branched, septate, initially hyaline, ultimately yellow to brown.

waardplanten: Rosaceae, monofaag

hostplants: Rosaceae, monophagous

Filipendula kamtschatica, ulmaria, vulgaris.

literatuur:

references:

Braun (1995a), Braun & Cook (2012a), Klenke & Scholler (1995a), Losa España (1942a), Scholler & Schubert (1993a).

14/10/2016