Erysiphe urticae (Wallroth) Blumer, 1933

Fungi, Erysiphaceae

op (Pilea), Urtica

on (Pilea), Urtica

Urtica dioica, België, prov. Antwerpen, Mol, de Maat © Carina Van Steenwinkel

Erysiphe urticae on Urtica dioica

Urtica dioica, Belgium, prov. Antwerp, Mol, de Maat © Carina Van Steenwinkel

cleistothecium

Erysiphe urticae: cleistothecium

cleistothecium

conidiofore

Erysiphe urticae: conidiophore

conidiophore

appressoria

Erysiphe urticae: appressoria

appressoria

Urtica dioica, België, prov. Antwerpen, Meerhout © Carina Van Steenwinkel: ascus

Erysiphe urticaeL ascua

Urtica dioica, Belgium, prov. Antwerp, Meerhout © Carina Van Steenwinkel: ascus

gal: mycelium beiderzijdig, vormt dichte witte blijvende plekken. Appressoria gelobd, enkel of gepaard. Conidia elliptisch,solitair grvpormd, zonder fibrosine-lichaampjes. Cleistothecia 80-135 µm, met 5-10 asci, die 3-6 sporen bevatten. Aanhangels in variabel aantal, sub-equatoriaal, 0.5-1.5 x de diamter. Ze zijn mycelioid, niet vertakt, grotendeels hyalien, hebben 0-4 septen.

gall: mycelium ampigenous, forming dense, white, persistent patches. Appressoria lobate, single or paired. Conidia formed solitary, elliptic, without fibrosin bodies. Cleistothecia 80-135 µm, with 5-10 asci, containing 2-6 spores. Appendages in variable numbers, sub-equatorial, 0.5-1.5 x the diameter. They are mycelioid, unbranched, largely hyaline, 0-4 septate.

waardplanten: Urticaceae, oligofaag

hostplants: Urticaceae, oligophagous

Urtica cannabina, dioica, kioviensis, pilulifera, urens.

Buiten Europa ook Pilea glaberrima

Outside of Europe also Pilea glaberrima

literatuur:

references:

Braun (1995a), Braun & Cook (2012a), Czerniawska (2001a), Dynowska, Fiedorowicz & Kubiak (1999a, Klenke & Scholler (2015a), Kruse (2014a), Ruszkiewicz-Michalska (2006a), Scholler, Reinhard & Schubert (1996a), Scholler & Schubert (1993a), Sucharzewska, Dynowska, Kubiak, Ejdys & Biedunkiewicz (2012b).

06/01/2017