Erysiphe viburni Duby, 1830

Fungi, Ascomycota, Leotiomycetes, Erysiphales, Erysiphaceae

op Viburnum

on Viburnum

gal: mycelium beiderzijdig, op de blad-bovenzijde mijn of meer blijvend. Appressoria gelobd, soms meervoudig, al dan niet gepaard. Conidia solitair, elliptisch, zonder fibrosine-lichaampjes. Cleistothecia 75-130 µm, met 2-8 asci die 4-8 sporen bevatten. Aanhangsels 4-22, equatoriaal, 1-1.5 x de diameter; ze staan stijf uit, zijn aan de basis bruin, hebben 0-2 basale septen, de celwand is ruw; de uiteinden zijn ca 4-5 x snel achtereen gegaffeld.

Volgens Klenke & Scholler worden er slechts weinig conidia gevormd, en zijn de cleistothecia onderzijdig.

gall: mycelium amphigenous, at the upper side of the leaf more or less persistent. Appressoria lobed or multilobed, paired or single. Conidia solitary, elliptic, without fibrosin bodies. Cleistothecia 75-130 µm, with 2-8 asci contaning 4-8 spores. Appendages 4-22, equatorial, 1-1.5 x the diameter; they are stiff, extending, brown at the base, have 0-2 basal septa, the cell wall is rough; apcially they are ± 4-5 times bifurcated in quick succession.

According to Klenke & Scholler conidia are formed only sparingly, and the cleistothecia are hypophyllous.

waardplanten: Adoxaceae, monofaag

hostplants: Adoxaceae, monophagous

Viburnum acerifolium, opulus, trilobum.

synoniemen: Microsphaera sparsa Howe, 1872.

synonyms: Microsphaera sparsa Howe, 1872.

literatuur:

references:

Braun (1995a), Braun & Cook (2012a), Jage, Kruse, Kummer, Caspari, Regin & Schmitt (2013a), Klenke & Scholler (2015a), Kozłowska, Mułenko & Heluta (2015a), Kruse (2014a), Scholler & Schubert (1993a).

23/02/2017