Golovinomyces neosalviae Scholler, Braun & Schmidt, 2016

Fungi, Erysiphaceae

op Salvia

on Salvia

gal: mycelium op stengels en bladeren, opvallend, beiderzijdig maar vooral bovenzijdig, bedekt uiteindelijke het hele blad; aangetaste bladeren vallen in juli of augustus af. Appressoria schaars, tepelvormig, soms iets gelobd. Conidia in korte ketens, zonder fibrosine-lichaampjes. Basale cel van de conidiofoor 105-3205 µm lang, zwak gebogen, vaak voorafgegaan door een veel kortere cel. Cleistothecia met 5-10 asci, met 2 sporen. Aanhangsels talrijk, mycelioid, gesepteerd, min of meer bruin, ongeveer even lang als de diameter, aangehecht aan de onderste helft van het cleistothecium.

gall: mycelium on stems and leaves, conspicuous, amphigenous but mainly epiphyllous,in the end often covering the entire leaf; infected leaved drop in July or August. Appressoria scarce, nipple-shaped, sometimes a bit lobed. Conidia in short chains, without fibrosin bodies. Foot-cell of conidiophore 105-205 µm long, weakly curved, often preceded by a moch sohter cell. Cleistothecia with 5-10 asci, with 2 spores. Appendages numerous, mycelioid, septate, more or less brown, about as kong as the cleistothecial diameter, attached to the lower half of the cleistothecium.

waardplanten: Lamiaceae, Nepetoideae, nauw monofaag:

hostplants: Lamiaceae, Nepetoideae, narrowly monophagous:

Salvia fruticosa, officinalis & subsp. lavandulifolia.

literatuur:

references:

Scholler, Schmidt, Siahaan, Takamatsu & Braun (2016a).

05/06/2016