Leveillula allii Zhao & Jia, 1986

Fungi, Erysiphaceae

op Allium

on Allium

gal: mycelium wit, meestal dicht, aan beide zijden, ook inwendig. Conidioforen komen door de huidmondjes naar buiten, gesepteerd. Het eerste conidium dat ze vormen is lancetvormig, met de grootste breedte in het midden, latere zijn lang-elliptisch. Cleistothecia zeldzaam; ze bevatten tot 25 asci, die twee sporen bevatten. Aanhangsels weinig, korter dan de diameter, mycelioid.

gall: mycelium white, generally dense, amphigenous; partly internal. Conidiophores emerge through the stomata, septate. The first conidium formed is lanceolate, with the largest width ± halfway; later ones are oblong-elliptic. Cleistothecia rare; they contain up to 25 asci, that have two spores. Appendages few, shorter than the diameter, mycelioid.

waardplanten: Amaryllidaceae, monofaag:

hostplants: Amaryllidaceae, monophagous:

Allium ampeloprasum, cepa, porrum, sativum.

literatuur:

references:

Braun & Cook (2012a), Klenke & Scholler (2015a).

18/10/2015