Leveillula braunii Simonyan & Heluta, 1987

Fungi, Ascomycota, Leotiomycetes, Erysiphales, Erysiphaceae

op Apiaceae

on Apiaceae

gal: mycelium wit, meestal dicht-viltig, aan beide zijden; ook inwendig. Conidioforen komen door de huidmondjes naar buiten, gesepteerd. Conidia, solitair, zonder fibrosine-lichaampjes; de eerst gevormde conidia zijn lancetvormig met een wat vernauwde en uitgetrokken spits; de later gevormde conidia zijn lang-elliptisch. Cleistothecia zeldzaam; ze bevatten veel asci, die twee sporen bevatten. Aanhangsels meestal talrijk, onder de equator aangehecht, korter dan de diameter; ze zijn mycelioid, nabij de basis vertakt, soms hogerop nog eens.

gall: mycelium white, generally dense-felty, amphigenous; partly internal. Conidiophores emerge through the stomata, septate. Conidia solitary, without fibrosin bodies; the firstly formed conidia are lanceolate with a narrowed tip; the later formed conidia are oblong-elliptic. Cleistothecia rare; they contain many asci, that have two spores. Appendages usually numerous, attached below the equator, shorter than the diameter; they are mycelioid, branched sometimes near the base, another time higher up.

waardplanten: Apiaceae, oligofaag:

hostplants: Apiaceae, oligophagous:

Anethum graveolens; Angelica decurrens; Daucus carota & subsp. maximus; ? Distichoselinum tenuifolium; Eryngium billardierei, creticum, falcatum, glomeratum; Heracleum; Pimpinella anisum, aurea; Prangos; Silaum silaus.

literatuur:

references:

Braun & Cook (2012a), Klenke & Scholler (2015a).

05/12/2015