Leveillula cleomes Simonyan & Heluta, 1989

Fungi, Ascomycota, Leotiomycetes, Erysiphales, Erysiphaceae

waardplanten: Cleome

hostplants: Cleome

gal: mycelium wit, vlokkig, vooral onderzijdig, aanvankelijk pleksgewijs, blijvend, ook inwendig. Conidia solitair. Het eerste conidium dat door een conidiofoor wordt gevormd is lang-ovaal met een apicaal opgezet spitsje, latere hebben een afgeronde top. Cleistothecia bevatten tot 20 asci, die twee sporen bevatten. Aanhangsel talrijk, aangehecht onder de equator, korter dan de diameter; ze zijn mycelioid, meestal enige malen onregelmatig vertakt, soms zeer sterk vertakt.

gall: mycelium mainly hypophyllous, white, tomentose, initially in patches, persistent; partly internal. Conidia single. The first conidium that is formed on a conidiophore is long-oval with apically an indistinct apiculus, later ones are apically rounded. Cleistothecia contain up to 20 asci, that have two spores. Appendages numerous, attached below the equator, shorter than the diameter; they are mycelioid, mostly several times irregularly branched, sometimes strongly branched.

waardplanten: Cleomaceae, monofaag

hostplants: Cleomaceae, monophagous

Cleome glaucescens, hassleriana.

literatuur:

references:

Braun & Cook (2012a), Klenke & Scholler (2015a).

23/11/2015