Leveillula elaeagni (Jaczewicz) Simonyan & Heluta, 1987

Fungi, Erysiphaceae

op Elaeagnus

on Elaeagnus

gal: mycelium beiderzijdig, vormt gelige, grijzige of witte vlekken; mycelium ook inwendig. Conidioforen lang en dun. Conidia in twee vormen. Het eerste conidium dat ze vormen is breed-lancetvormig, met een opvallende vernauwing aan de basis; latere zijn elliptisch. Cleistothecia met een groot aantal asci die elk 2 sporen bevatten. Aanhangsels talrijk, sub-equatoriaal, korter dan de diameter; ze zijn niet of onregelmatig vertakt, meestal hyalien.

gall: mycelium amphigenous, forming yellowish, greyish or white patches; mycelium also internal. Conidiophores long and thin. Two types of conidia. The first conidium formed is broadly-lanceolate, with a striking narrowing at the base; later ones are elliptic. Cleistothecia with a large number of asci, each with two spores. Appendages numerous, sub-equatorial, shorter than de diameter; they are simple or irregularly branched, generally hyaline.

waardplanten: Elaeagnaceae, monofaag

hostplants: Elaeagnaceae, monophagous

Elaeagnus angustifolia.

literatuur:

references:

Braun (1995a), Braun & Cook (2012a), Klenke & Scholler (2015a).

18/11/2015