Leveillula lactucarum (Durrieu & Rostam, 1984

Fungi, Ascomycota, Leotiomycetes, Erysiphales, Erysiphaceae

waardplanten: Chondrilla, Lactuca

hostplants: Chondrilla, Lactuca

gal: wit, meestal dicht-viltig, blijvend, mycelium aan beide zijden, ook inwendig. Conidia solitair. Het eerste conidium dat ze vormen is lancetvormig-cylindrisch, latere zijn elliptisch. Conidioforen lang en dun. Cleistothecia met 14-40 asci, die twee sporen bevatten. Aanhangsel meestal talrijk, mycelioid, aangehecht onder de equator, korter dan de diameter, soms nauwelijks vertakt, in andere gevallen (soms veelvuldig) vertakt.

gall: mycelium white, generally dense, felt-like, amphigenous, persistent; partly internal. Conidia single. The first conidium formed is lanceolate-cylindrical, later ones are elliptic. Conidiophores long and thin. Cleistothecia contain up to 14-40 asci, that have two spores. Appendages mosty numerous, mycelioid, attached below the equator, shorter than the diameter, sometimes hardly branched, in other cases stronger branching, even coralloid.

waardplanten: breed polyfaag

hostplants: broadly polyphagous

Chondrilla ambigua, juncea; Lactuca orientalis, tatarica, viminea.

Braun (1995a) noemt enige planten-genera meer, maar Braun & Cook (2012a) trekken dat in.

Braun (1995a) lists several more plant genera, but that is repealed by Braun & Cook (2012a).

literatuur:

references:

Braun (1995a), Braun & Cook (2012a), Klenke & Scholler (2015a).

13/11/2015