Melampsorella caryophyllacearum (de Candolle) Schröter, 1874

Fungi, Basidiomycota, Pucciniomycetes, Pucciniales, Pucciniastraceae

op Abies

on Abies

gal: Vormt heksenbezems en lokale sterke verdikkingen van de stam. De heksenbezems zijn in de winter kaal, in het voorjaar lopen ze een maand te vroeg uit met abnormaal korte en vergeelde naalden. Roze, kort-cylindrische aecia in twee rijen aan de onderzijde van de naalden. Aeciosporen dicht-, en relatief grof-wrattig.

gall: Induces witches' brooms and localised strong swellings of the them. The witches' brooms are leafless in the winter; in spring they bud a month early and get abnormally short, yellowish needles. Pink, short-cylindrical aecia at the underside of the needles in a row at either side of the midrib. Aeciospores relatively densely and relatively coarsely verrucose.

spermogonia, aecia: Pinaceae, monofaag

spermogonia, aecia: Pinaceae, monophagous

Abies alba, balsamea, cephalonica, concolor, lasiocarpa, nordmanniana, pinsapo, sacchalinense var. mayriana.


op Caryophyllaceae, Alsinoideae

on Caryophyllaceae, Alsinoideae

gal: uredinia en telia onderzijdig. De uredinia tot 0.4 mm, oranje, bedekt met een teer peridium met een centrale pore; uredinosporen met 2-3 vrijwel equatoriaal geplaatste kiemporen. Telia vaak uitgestrekt, het blad verkleurend; de sporen worden gevormd in de epidermis-cellen.

gall: uredinia and telia hypophyllous. Uredinia op to 0.4 mm, orange, covered by a flimsy peridium with a central pore; urediniospores with 2-3 about equatorial germination pores. Telia often extensive, discolouring the leaf; the spores are formed intracellulary in the epidermis.

uredinia, telia: Caryophyllyaceae, oligofaag

uredinia, telia: Caryophyllyaceae, oligophagous

Arenaria serpyllifolia; Cerastium alpinum, arcticum, arvense, cerastoides, fontanum & subsp. vulgare, glomeratum, latifolium, pumilum, semidecandrum, tomentosum; Moehringia trinervia; Myosoton aquaticum; Stellaria alsine, crassifolia, graminea, holostea, media, nemorum, palustris.

opmerkingen: In beide groepen van waardplanten is het mycelium systemisch en overblijvend; de planten zijn misvormd.

notes: In both host phases the mycelium is systemic and perennal. The plants are disfigured.

literatuur:

references:

Brandenburger (1985a: 15, 97), Buhr (1964b, 1965a), Dauphin & Aniotsbehere (1997a), Doppelbauer (1973a), Ellis & Ellis (1997a), Gäumann (1959a), Henderson (2000a, 2004a), Irimia (2010a), Klenke & Scholler (2015a), Kozłowska, Mułenko & Heluta (2015a), Kruse (2014a), Maier, Begerow, Weiß & Oberwinkler (2003a), Negrean (1996a), Poelt & Zwetko (1997a), Preece & Hick (1994a), Redfern & Shirley (2011a) Roskam (2009a), Termorshuizen & Swertz (2011a), Tomasi (2003a), Vanderweyen & Fraiture (2007a), Wilson & Henderson (1966a), Woods, Stringer, Evans & Chater (2015a).

24/03/2017