Neoërysiphe gnaphalii Braun, 2012

Fungi, Erysiphaceae

op ? Filago, Gnaphalium

on ? Filago, Gnaphalium

gal: mycelium beiderzijdig, ook op de stengels, dun, onopvallend. Conidia gevormd in ketens, zonder fibrosine-lichaampje, elliptisch. Cleistothecia met 5-13 asci, die pas rijpen na de overwintering. Aanhangsels variëren sterk in aantal en mate van ontwikkeling, sub-equatoriaal, nooit langer dan de diameter; ze zijn mycelioid, sterk gekronkeld, licht- tot donkerbruin, met weinig of geen septa.

gall: mycelium amphigenous, also on the stems, thin, inconspicuous. Conidia formed in chains, without fibrosin bodies, elliptic. Cleistothecia with 5-13 asci, that ripen only after the hibernation. Appendages strongly variable in number and development, sub-equatorial, never longer than the diameter; they are mycelioid, contorted, light to dark brown, with none are a few septa.

waardplanten: Asteraceae, ? oligofaag

hostplants: Asteraceae, ? oligophagous

? Filago arvensis; Gnaphalium norvegicum.

literatuur

references

Braun & Cook (2012a), Klenke & Scholler (2015a).

20/11/2015