Phragmidium bulbosum (Fries) Schlechtendal, 1824

Fungi, Uredinales, Phragmidiaceae

op Rubus

on Rubus

Rubus fruticosus, België, prov. Antwerpen, Mol © Carina Van Steenwinkel

Phragmidium bulbosum: telia on Rubus fruticosus

Rubus fruticosus, Belgium, prov. Antwerp, Mol © Carina Van Steenwinkel

teliosporen

Phragmidium bulbosum: teliospores

teliospores

gal: geen waardwiseling. Spermogonia bovenzijdig. Meeste aecia onderzijdig zeer klein, op de nerven groter, geel, zonder peridium maar omringd door een krans van kleurloze, worstvormige gebogen paraphysen; sporen in ketens gevormd, spaarzaam bezet met vrij grote afgeplatte wratten. Uredinia als de aecia, maar sporen enkel, gesteeld, wand fijn bestekeld. Telia onderzijdig, zwart; sporen langgesteeld, elliptisch donkerbruin, een rijtje van 4-7 fijn-wrattige cellen met aan de top een scherp afgezet spitsje.

gall: no alternation of hostplant. Spermogonia epiphyllous. Aecia mostly hypophyllous, yellow, minute but larger on the veins, without a peridium but with a coronet of hyaline, saucage-shaped curved paraphyses; spores produced in chains, sparsely aculeate. Uredinia like the aecia, but spores single, pedicellate, wall finely spinulate. Telia hypophyllous black; spores long pedicellate, elliptic, dark brown, transversely divided into 4-7 finely verrucose cells, abruptly terminated by an apiculus.

waardplanten: Rosaceae, breed monofaag

hostplants: Rosaceae, broadly monophagous

Rubus caesius, corylifolius, egregius, fruticosus, gracilis, gratus, hirtus, montanus, nessensis, plicatus, radula, sanctus, sprengelii, sulcatus, ulmifolius, umbrosus

Niet op R. saxatilis.

Not on R. saxatilis.

synoniemen: Phragmidiun rubi(Persoon) Winter, 1882. Een vorm op Rubus canescens, constrictus en silesiacus [= candicans] wordt wel onderscheiden als Phragmidium candicantium (Vleugel) Dietel, 1927; het voornaamste kenmerk is dat spermogonia en aecia onbekend zijn, en waarschijnlijk ook nimmer gevormd worden.

synonyms: Phragmidiun rubi(Persoon) Winter, 1882. A form on Rubus canescens, constrictus, and silesiacus [= candicans] is sometimes distinguished asPhragmidium candicantium (Vleugel) Dietel, 1927; its main characteristic is that spermogonia and aecia are unknown, and probably are never formed.

literatuur:

references:

Bahcecioglu & Kabaktepe (2012a), Buhr (1965a), Doppelbaur (1968a, 1973a), Ellis & Ellis (1997a), Gäumann (1959a), Gjaerum (1892a, 1987a), Helfer (2005a), Henderson (2000a), Jage, Kruse, Kummer, Caspari, Regin & Schmitt (2013a), Jage, Scholler & Klenke (2010a), Jørstad (1953a), Klenke & Scholler (2015a), Kruse (2014a), Kruse & Jage (2014a), Losa España (1942a), Ludwig (1974a), Petrova & Denchev (2004a), Poelt & Zwetko (1997a), Ruszkiewicz-Michalska (2006a), Sadravi, Ono, Pei & Rahnama (2007a), Scheuer & Bechter (2012a), Schön (2014a), Scholler & Schubert (1993a), Termorshuizen & Swertz (2011a), Tomasi (2003a, 2012a, 2014a), Tóth (1994a), Vanderweyen & Fraiture (2007a), Wilson & Henderson (1966a), Woods, Stringer, Evans & Chater (2015a).

11/01/2017