Phragmidium rosae-pimpinellifoliae Dietel, 1905

Fungi, Uredinales, Phragmidiaceae

op Rosa

on Rosa

Rosa cf. canina, België, prov. Namen, Saint-Servais, Asty-Moulin; © Jean-Yves Baugnée, det. Arthur Vanderweyen

Phragmidium rosae-pimpinellifoliae

Rosa cf. canina, Belgium, prov. Namur, Saint-Servais, Asty-Moulin; © Jean-Yves Baugnée, det. Arthur Vanderweyen

Rosa pimpinellifolia, Bergen aan Zee. Vaak vormen de aecia grote plakkaten, maar in dit geval waren ze uitsluitend aanwezig aanwezig als kleine vlekjes op een galletje van Diplolepis cf. eglanteriae.

Phragmidium rosae-pimpinellifoliae: aecia on Rosa pimpinellifolia

Rosa pimpinellifolia, Bergen aan Zee. Often the aecia form large lumps, but in this case they were present only as tiny specks on a gall of Diplolepis cf. eglanteriae.

aeciosporen

Phragmidium rosae-pimpinellifoliae: aeciosopres

aeciospores

onder- en bovenzijde van oude bladeren met telia

Phragmidium rosae-pimpinellifoliae: telia on Rosa pimpinellifolia

underside and upperside of two old leaves, bearing telia

telia, loupe-vergroting

Phragmidium rosae-pimpinellifoliae: telia

telia, hand-lense magnification

teliosporen

Phragmidium rosae-pimpinellifoliae: teliospores

teliospores

kenmerkend is dat de spore geleidelijk versmalt tot een spitsje

Phragmidium rosae-pimpinellifoliae: teliospore: detail of apiculus

characteristically, the spore gradually narrows into the apiculus

gal: geen waardwiseling. Spermogonia en aecia meestal op de takken en bladstelen, ook wel op de nerven. Aecia kunnen tot grote plakkaten samenvloeien; ze hebben geen peridium; rondom een, bij deze soort vrij klein, aantal van kleurloze, worstvormige gebogen paraphysen; sporen in ketens gevormd, fijnstekelig. Uredinia onderzijdig, tot 0.2 mm, omringd door een groot aantal paraphysen; sporen enkel, gesteeld. Telia onderzijdig, bruin; sporen langgesteeld, elliptisch donkerbruin, een rijtje van ca 6-8 fijn-wrattige tot gladde cellen, aan de top geleidelijk versmallend tot een spitsje.

gall: no alternation of hostplant. Spermogonia and aecia mostly on branches or petioles, also the veins. Aecia can fuse to large lumps, without a peridium but around the margin with, in this species mostly just a few, hyaline, saucage-shaped curved paraphyses; spores produced in chains, finely spinulose. Uredinia hypophyllous, up to 0.2 mm, orange, surrounded by many paraphyses, spores single, pedicellate. Telia hypophyllous brown; spores long pedicellate, elliptic, dark brown, transversely divided into c. 6-8, finely verrucose or smooth cells, apically gradually tapering into an apiculus.

waardplanten: Rosaceae, monofaag

hostplants: Rosaceae, monophagous

Rosa canina, dumalis, eglanteria, foetida, glauca, majalis, rubiginosa, spinosissima.

R. spinosissima is de belangrijkste waardplant.

R. spinosissima is the most important hostplant.

literatuur

references

Bahcecioglu & Kabaktepe (2012a), Buhr (1965a), Ellis & Ellis (1997a), Gäumann (1959a), Gjaerum (1986a), Helfer (2005a), Henderson (2000a), Koops (2013a), Petrova & Denchev (2004a), Poelt & Zwetko (1997a), Preece (2008a), Redfern & Shirley (2011a), Roskam (2009a), Sadravi, Ono, Pei & Rahnama (2007a), Termorshuizen & Swertz (2011a), Vanderweyen & Fraiture (2007a), Wilson & Henderson (1966a), Woods, Stringer, Evans & Chater (2015a).

11/01/2017