Puccinia dioicae Magnus, 1877

Fungi, Basidiomycota. Pucciniomycetes, Pucciniales, Pucciniaceae

op

on Asteraceae

Cirsium dissectum, Engeland, North-east Yorkshire, VC62; © Malcolm Storey, BioImages

Puccinia dioicae: aecia on Cirsium dissectum

Cirsium dissectum, England, North-east Yorkshire, VC62; © Malcolm Storey, BioImages

gal: Spermogonia bovenzijdig. Aecia onderzijdig, bekervormig; peridium wit, naar buiten gebogen, verdeeld in slippen; sporenmassa oranje.

gall: Spermogonia epiphyllous. Aaecia hypophyllous, cupulate; peridium white, divided in segments, curved outwards; spore mass orange.

spermogonia, aecia: Asteraceae, oligofaag

spermogonia, aecia: Asteraceae, oligophagous

Centaurea benedicta; Cirsium arvense, canum, carniolicum, dissectum, eriophorum, erisithales, heterophyllum, monspessulanum, oleraceum, palustre, rivulare, spinosissimum, tartaricum, tuberosum, vulgare.


op Carex

on Carex

gal: uredinia meestal onderzijdig, puntvormig, klein, bruin, op geel-verkleurde vlekken. Uredinisporen 23-23 x 24-26 µm, met 2 kiemporen die boven de equator liggen en die omgeven zijn door een zone waar de celwamd niet bestekeld is. Telia onderzijdig, kussenvormig, spoedig naakt, zwart; sporen 2-cellig op een niet-afvallende steel van ca 50 µm.

gall: uredinia mostly hypophyllous, small, punctiform, brown, on yellowed spits. Urediniospores 23-23 x 24-26 µm, with 2 supra-equatorial pores, eech surrounded by a zone where the cell wall is not spinulose. Telia hypophyllous, pulvinate, soon naked, black; spores 2-celled, on a persistent pedicel of c. 50 µm.

uredinia, telia: Cyperaceae, monofaag

uredinia, telia: Cyperaceae, monophagous

Carex alba, davalliana, dioica, heleonastes, ? pilosa.

synoniemen: De soort, zoals hierboven omschreven, is dioicae in de nauwe betekenis zoals die bijvoorbeeld wordt gejhanterd door Klenke & Scholler (2015a). Hiertegenover staan veel auteurs die doicae zeer breed opvatten, als een soort met aecia op een grote verscheidenheid van Asteraceae, en telia op allerlei Carex-soorten. De volgende hier besproken soorten vallen, als varieteiten of domweg synoniemen, binnen dit het concept van dioicae sensu lato: P. arenariicola, capillaris, caricis-frigidae, caricis-montanae, cirsii-sempervirentis, dioicae, extensicola, firma, jageana, linosyridis-caricis, petasites-pendulae, ptarmicae-caricis, rupestris, ruttneri, scabiosae-sempervirentis, schoeleriana, schroeteriana, senecionis-acutiformis, silvatica, tirolensis.

synonyms: The species, as described above, is diooica in the narrow interpretation, as is used for example, by Klenke & Scholler. At the other hand stad many authors who maintain a very broad concept of this species, encompasing aecia on a wide range of Asteraceae, and telia on all sorts of Carex. The following species described here fall, as varieties or mere synonyms, under this wide concept of dioicae: P. arenariicola, capillaris, caricis-frigidae, caricis-montanae, cirsii-sempervirentis, dioicae, extensicola, firma, jageana, linosyridis-caricis, petasites-pendulae, ptarmicae-caricis, rupestris, ruttneri, scabiosae-sempervirentis, schoeleriana, schroeteriana, senecionis-acutiformis, silvatica, tirolensis.

literatuur:

references:

Brandenburger (1985a), Buhr (1964b, 1965a), Doppelbaur & Doppelbaur (1968a), Ellis & Ellis (1997a), Gäumann (1959a), Gjaerum (1982a), Gjaerum & Dennis (1976a), González Fragoso (1924a), Hafellner (1980a), Henderson (2000a, 2004a), Jage, Scholler & Klenke (2010a), Klenke & Scholler (2015a), Kozłowska, Mułenko & Heluta (2015a), Losa Quintana (1972a), Maier, Wingfield, Mennicken & Wingfield (2007a), Marková & Urban (1988a), Mayor (1975a), Poelt & Zwetko (1997a), Redfern & Shirley (2011a), Roskam (2009a), Ruszkiewicz-Michalska (2006a), Scheuer & Bechter (2012a), Scholler & Schubert (1993a), Termorshuizen & Swertz (2011a), Tomasi (2014a), Vanderweyen & Fraiture (2011a), Wilson & Henderson (1966a), Woods, Stringer, Evans & Chater (2015a).

09/04/2017