Betula berk

Dichotome tabel voor bladmineerders

1a mijn eindigt in een ronde of ovale uitsnede => 2

1b blaasmijn zonder voorafgaande gang (of begingang < 3 mm) => 6

1c blaasmijn, voorafgegaan door een ganggedeelte => 23

1d gangmijn van begin tot eind => 30

1e gangmijn die zich zo snel verbreedt dat het ook een driehoekige blaasmijn mag heten; elliptische larve altijd aanwezig: Rhamphus pulicarius

1f vouwmijn => 41

1g vlekmijn => 49

1h gallen etc => Tabellen voor alle parasieten per soort

2a uitsnede zonder voorafgaande begingang, of begingang < 5 mm => 3

2b uitsnede voorafgegaan door eem smalle of brede gangmijn >> 5 mm (eventueel in een nerf) => 4

3a uitsnede ovaal, ca. 3 x 5 mm: jeugdmijnen van Coleophora-soorten

3b uitsnede bijna cirkelrond, ca. 5 mm in diameter, vaak een aantal in een blad: Incurvaria pectinea

4a het grootste deel van de mijn verloopt in de middennerf of een dikke zijnerf, gaat vandaar een klein stukje de bladschijf in (een kort geelgroen gangetje), en eindigt in een ovale uitsnede: Heliozela hammoniella

4b mijn niet geassocieerd met hoofdnerf of dikke zijnerven => 5

5a gang geleidelijk breder wordend; uitsnede bijna cirkelrond: Orchestes rusci

5b gang zeer lang, draaddun, plotseling tot een blaasmijn verbreed; uitsnede ovaal: Phylloporia bistrigella

6a bij het begin van de mijn, aan de bladrand, een glimmend zwart druppeltje opgedroogd secreet: Trachys minutus

6b niet zo’n druppel => 7

7a frass in draden van een of meer cm lang => 8

7b frass in korrels of hoogstens korte draadstukjes => 12

8a mijn in het centrum van het blad => 25

8b mijn aan de bladrand => 9

9a gewoonlijk verscheidene larven in de mijn; larve zeer transparant: Eriocrania cicatricella

9b 1 larve per mijn; larve grijs of melkwit => 10

10a volgroeide larve loodgrijs; verlaten mijnen nog herkenbaar door een grijs larvehuidje: Eriocrania sangii

10b larvelichaam in elk stadium melkwit => 11

11a achterhoeken van het kopkapsel verlengd en sterk gechitiniseerd, zwart; omdat de kop terggetrokken is in de prothorax ziet het eruit als twee vage zwarte vlekjes: Heringocrania unimaculella

11b pronotum zonder “zwarte vlekjes”: Eriocrania semipurpurella

12a ronde blaasmijn, met een donker centrum => 13

12b blaasmijn al dan niet rond, altijd zonder donker centrum => 14

13a rond het donkere centrum van de mijn ligt de frass in duidelijke bogen: Leucoptera malifoliella

13b rondom het donkere centrum weinig frass, niet in bogen: Ectoedemia occultella

14a mijn voldiep, ≤ 2 mm, met enkele frasskorrels, met gaatje waardoor de larve de mijn verlaten heeft: Swammerdamia caesiella

14b mijn anders => 15

15a larve kort-gedrongen, pootloos (snuitkeverlarven) => 16

15b larve slanker, met duidelijke poten => 17

16a klein komma- of peervormig mijntje, vaak een aantal in een blad, met veel frass, donker, onopvallend; geen cocon in de mijn: Rhamphus pulicarius

16b mijn groter, helderder, solitair; in oude mijnen een bolvormige cocon: Orchestes jota

17a larve hard-rose gemarmerd; onder de mijn een los netwerk van spinsel, waarin frasskorrels hangen: Atemelia torquatella

17b larve geelwit (afgezien van eventuele zwarte vlekjes): bladwespenlarve => 18

18a mijn begint in het centrum van het blad => 19

18b mijn begint aan de bladrand => 20

(Het oudste deel van de mijn is meestal minder diep, en in doorzicht dus groener, dan latere delen. De frass bestaat hier uit fijnere korrels. Vaak is ook het ovipositielitteken herkenbaar als een hardgroen laag bultje aan de bladbovenzijde.)

19a borstpoten van de larve spits; gewoonlijk verscheidene mijnen, van uiteenlopende grootte, in een blad: Fenusa pumila

19b borstpoten tot stompjes gereduceerd; mijn gewoonlijk solitair: Profenusa thomsoni

20a mijn begint met een driehoekig deel (waarvan een punt aan de bladrand), dat compact met frass is gevuld; pas daarna begint de eigenlijke, vaak grote, blaasmijn: Fenusella nana

20b mijn van meet af aan breed blaasvormig, zonder zo’n basale frassprop => 21

21a oudste deel van de mijn, bij de bladrand, donker roodbruin; mijn met weinig frass; larve maakt een schijfvormige cocon: Heterarthrus nemoratus

21b mijn egaal licht geelbruin, bevat veel frass; geen cocon => 22

22a larven verlaten de mijn in juni: Scolioneura vicina

22b larven van augustus tot october: Scolioneura betuleti

23a frass in lange draden => 24

23b frass in korrels of vlokken => 25

24a begingang gaat geleidelijk in de blaas over; larven midden mei: Eriocrania salopiella

24b begingang gaat plotseling, hoekig, in de blaas over; larven midden juni: Eriocrania sparrmannella

25a mijn begint op of in de middennerf => 26

25b mijn begint elders => 27

26a op de plaats van de eiafzetting, op de onderzijde van de middennerf, een groot litteken; vandaar begint een gangmijn, die zich nabij de bladtop sterk verbreedt; het blad is daar vaak sterk misvormd: Orchestes calceatus

26b geen sterk litteken op de hoofdnerf; ook is de bladtop nooit misvormd: Tachyerges pseudostigma & T. stigma

27a mijn begint met een (onderzijdig, bol, glimmend) eischaaltje, vanwaar een sterk gekronkeld gangetje ontstaat, dat tenslotte overgaat in een blaas: Ectoedemia minimella

27b mijn begint zonder zichtbaar eischaaltje; begingang niet sterk gekronkeld => 28

28a begingang lang en zeer slank: Lyonetia prunifoliella

28b begingang breed en kort, vaak overlopen en onzichtbaar => 29

29a larve slank met (korte) poten; verlaat voor de verpopping de mijn: Profenusa thomsoni

29b larve gedrongen, pootloos; verpopt zich in de mijn in een kogelvormige cocon: Orchestes jota

30a gangmijntje zonder frass, vaak vertakt: Recurvaria nanella

30b mijn met frass, niet vertakt => 31

31a mijn korter dan 1 cm: Bucculatrix demaryella, in Midden-Europa ook Bucculatrix thoracella

31b mijn veel langer => 32

32a mijn bovenzijdig, groenig: Agromyza alnibetulae

32b mijn voldiep, wittig => 33

33a mijn begint met een onder- of bovenzijdig glimmend eischaaltje; mijn begint nooit in de middennerf (Stigmella-soorten) => 34

33b mijn begint niet met een eischaaltje => 40

34a in het grootste deel van de gang ligt de frass in boogjes => 35

34b frass niet in boogjes => 36

35a frass (in verse mijnen) groen, de gehele gangbreedte vullend; mijn begint gewoonlijk nabij de hoofdnerf; eerste deel van de mijn sterk gewonden, het bladweefsel daar verbruind: Stigmella continuella

35b frass ook in verse mijnen zwart, niet de hele gangbreedte beslaand; mijn begint meestal nabij de bladrand; eerste deel van de mijn niet sterk gewonden, niet in een verbruinde plek: Stigmella sakhalinella

36a mijn lang en hoekig; frasslijn in de laatste helft van de mijn zeer smal => 37

36b mijn korter, meer gewonden; frasslijn in de laatste helft breder, vaak onderbroken => 38

37a eerste deel van de mijn over de gehele gangbreedte gevuld met groene (later bruine) frass: Stigmella lapponica

37b ook in het eerste deel van de mijn is de frasslijn zeer smal: Stigmella confusella en, warmteminnende soort uit Centraal-Europa, Stigmella naturnella

38a mijn in Lapland, op Betula nana: Stigmella tristis

38b mijn in meer gematigde streken, ook op andere berken => 39

39a eerste deel van de mijn onderzijdig, in doorzicht groen; meestal 1 mijn per blad, augustus-november: Stigmella luteella**

39b mijn van meet af aan voldiep, eerste deel in doorzicht helder; vaak meer dan één mijn per blad; juni-october: Stigmella betulicola**

40a het ei wordt afgezet in de middennerf (meestal in het apicale deel van het blad), en op die plaats een galachtige zwelling; vroege voorjaar: Anoplus plantaris

40b de mijn begint niet op de hoofdnerf; mijnen in de hele zomer: Lyonetia clerkella

41a mijnen aan bladbovenzijde => 42

41b mijnen aan bladonderzijde => 44

42a mijn zilverig; larve blijft tot en met de verpopping in de mijn: Phyllonorycter corylifoliella

42b mijn bruinig; larve verlaat spoedig de mijn, en leeft dan in een bladrol; er worden verscheidene rolletjes gemaakt en leeggegeten => 43

43a laatste bladrol in de lengte: Caloptilia populetorum (+ vermoedelijk C. suberinella)

43b laatste bladrol dwars: Caloptilia betulicola

44a gemineerde cuticula bruin; larven verlaten de mijn, leven dan in een bladrol of -plooi => 45

44b gemineerde cuticula (bleek)groen; larven verpoppen in de mijn => 47

45a larve ontwikkelt zich verder in een omgeslagen bladrand => 46

45b larve ontwikkelt zich verder in een opgerold blad => 43

45c larve ontwikkelt zich verder in een naar beneden dubbelgevouwen blad; alleen op Betula nana: Parornix polygrammella

46a mijn, op een willekeurige plaats, voorafgegaan door een kort gangetje: Parornix betulae en, in Noord-Europa, Parornix loganella

46b mijn aan bladrand, voorafgegaan door een lange gang, die vaak een eind de hoofdnerf volgt alvorens naar de rand af te buigen (zelden op berk): Caloptilia stigmatella

47a mijn 15-20 mm; onderepidermis met 7-12 plooien: Phyllonorycter cavella

47b mijn 10-15 mm; onderepidermis met 1-6 plooien => 48

48a pop vrij in de mijn; mineert bijna uitsluitend op zaailingen: Phyllonorycter anderidae

48b pop in een cocon (maar die kan bestaan uit niet meer dan een ijl spinsel); ook op volwassen bomen: Phyllonorycter ulmifoliella

49a zak slakkenhuisvormig: Apterona helicoidella

49b zak buisvormig => 50

50a lapjeszak => 51

50b samengestelde bladzak => 54

50c buisvormige bladzak => 56

50d spatelvormige bladzak => 57

50e pistoolzak, met een pallium => 58

51a zak plomp, achtereind sterk naar beneden gekromd => 52

51b zak slank, achtereind vrijwel recht => 53

52a zak trechtervormig; achtereind sterk versmald: Coleophora cornutella

52b zak pistoolvormig; achtereind niet versmald: Coleophora fuscocuprella

53a zak bruinzwart; mondhoek 0°: Coleophora violacea

53b zak wittig; mondhoek 10°-30°: Coleophora potentillae

54a uitbreidingen van de zak bestaande uit schijfjes bladepidermis => 55

54b uitbreidingen van de zak bestaan uit smalle ringetjes; zak gekromd; september-mei: Coleophora serratella (jeugdzak)

55a verbinding tussen de opeenvolgende delen van de zak “naadloos”; zak in voorjaar en -zomer eenkleurig; augustus-october: Coleophora orbitella

55b verbinding tussen de opeenvolgende delen van de zak slordig, met rafels en uitsteeksels; zak in voorjaar en -zomer tweekleurig; augustus-juni: Coleophora binderella

56a zak glad, afgeplat buisvomig met een nauw dorsale kiel; april-juni: Coleophora serratella (eindzak)

56b zak zeppelinvormig, met slordig uitstekende bladfragmenten: augustus-juli: Coleophora siccifolia

57a volgroeide zak 8-11 mm; mondhoek 45°: Coleophora milvipennis

57b zak 13 mm; mondhoek 15° (voorkomen op berk, althans in West-Europa, dubieus): Coleophora alnifoliae

58a mondhoek 70-80°; zak zwak glanzend: Coleophora anatipenella

58b mondhoek 30-45°; zak meestal ruw en dof: Coleophora betulella

mod 4.vi.2018