Introductie

Levende planten dienen als voedsel voor een eindeloze verscheidenheid van andere organismen. Wanneer dat gewervelde dieren betreft, en we van macro-herbivoren spreken, is er weinig sprake van een herkenbare relatie tussen plant en begrazer. Dat is anders bij de talloze kleine organismen (insecten, mijten, aaltjes, schimmels, etc.) die planten eten en beschadigen. Tussen planten en deze “micro-herbivoren” is er meestal sprake van een wisselwerking. De micro-herbivoor is haast altijd gespecialiseerd op een kleine groep verwante planten, en de planten reageren vaak op een specifieke manier op de micro-herbivorie. De sporen van de activiteiten van micro-herbivoren zijn daardoor vaak zeer kenmerkend. Bovendien leven ze gewoonlijk maar in één, of enkele nauw verwante, plantensoorten. Door de combinatie van plantensoort en het uiterlijk van de aantasting zijn veel Europese micro-herbivoren goed op naam te brengen

Mijnen

Bladmijnen zijn gangetjes of blaasjes die door insectenlarven in het bladweefsel worden uitgevreten. De sporen van de activiteiten van deze miniatuur mijnbouwers zijn zeer kenmerkend. Essentieel van mijnen is dat de plant geen noemenswaardige reactie vertoont op de vreterij door de mineeerder. Er kan rondom de mijn een verkleuring optreden, en een enkele maal wordt callus, wondweefsel aangemaakt, maar werkelijke weefselvorming treedt niet op. Bij gallen is dat anders

Gallen

Planten reageren vaak op de aanwezigheid van fytofagen door her vertonen van abnormale groei, vaak gepaard gaande met verkleuring. Vaak wordt die afwijking niet louter bepaald door het biochemisch mechanisme van de waardplant, maar ook door dat van de fytofaag. Wanneer dit laatste leidt tot de vorming van uniek, beschermend of voedselrijk weefsel is er sprake van een werkelijke gal.

Maar veel auteurs hanteren een veel lossere definitie van een gal: een herkenbare verandering in het uiterlijk van een plant, ontstaan uit een wisselwerking tussen de plant en een ander, herbivoor, organisme. Maar dat is slechts één van de vele mogelijke definities (Williams, 1994a).

De aard van die interactie, en de mate waarin de fytofaag medebepalend is, zijn vaak onvoldoende bekend. Daardoor is het in veel gevallen niet makkelijk uit te maken of een vervorming als een gal in strikte zin moet worden beschouwd. Daar komt bij dat soms de ene fytofaag-soort een duidelijke galvorming teweegbrengt, terwijl een nauw-verwante tweede soort geen vervorming induceert, of alleen onder uitzonderlijke omstandigheden. Strikt genomen wordt dan vaak alleen de eerste van de twee als galvormer beschouwd, wat tot een onbevredigende situatie leidt. Daarom worden hier mijnen en gallen, in de wijdst denkbare zin, hier besproken onder de meest algemene term: planten-parasieten.

pub 24.i.2013 · mod 9.viii.2017