Boven- of onderzijdig

Mijnen die zich alleen aan de onderzijde of bovenzijde van een blad bevinden zijn, uitzonderingen daargelaten, òf vouwmijnen, òf mijnen gemaakt door larven van de vliegenfamilie Agromyzidae.

bovenzijdig

Bij bovenzijdige mijnen is het palissade-parenchym weggevreten. Door de wittige bovenzijde zijn ze gemakkelijk te vinden.

12532

Phytomyza minuscula op kleine ruit: bovenzijdige mijn

onderzijdige mijn

Onderzijdige mijnen, waar alleen het sponsparenchym gegeten wordt, zijn lastiger te vinden, zeker op planten met behaarde blad-onderzijde. Dit type komt veel minder voor dan bovenzijdige mijnen – mogelijk omdat het sponsparenchym minder voedzaam is dan het palissade-parenchym.

7196

Aulagromyza tridentata op schietwilg: onderzijdige mijn

afwisselend

Een enkele soort agromyzide begint met een bovenzijdige mijn, en gaat daarna onderzijdig verder. Veel vaker komt het voor dat een soort onderzijdig begint, en de mijn later bovenzijdg voortzet. Meestal is dit onderzijdige begin een heel ondiep gangetje, heel lastig te zien (en al helemaal moeilijk bij herbariummateriaal).

Liriomyza strigata mine (part)

Liriomyza strigata op melkdistel: onderzijdig ganggedeelte

interparenchymale mijn

Een enkele maal wordt de mijn gevormd ergens op de overgang van palissade- en sponsparenchym, waardoor de mijn een kenmerkend geelgroene kleur heeft. Dit wordt een interparenchymale mijn genoemd.

Phytomyza spinaciae mine

Phytomyza spinaciae op akkerdistel: inter- parenchymale mijn


transverse section

Phytomyza spinaciae op akkerdistel: dwarse doorsnede

perforate mijnen

Een ander zeldzaam type van mijn, eveneens beperkt tot agromyziden. Het betreft interparenchymale mijnen van waaruit telkens opnieuw een gat wordt gevreten in het palissade parenchym. In doorzicht ziet zo’n mijn er doorschoten uit. Het is niet eenvoudig om in de grijzige vlekken die zo ontstaan nog een mijn te herkennen: het lijkt veeleer een schimmelaantasting.

8278

Phytomyza heracleana op berenklauw: perforate mijn, doorzicht

epidermale mijnen

De larven van het vlindergeslacht Phyllocnistis maken lange gangen, die zich uitsluitend bevinden in de epidermis van de bladeren (soms ook van de bladsteel en de schors van jonge twijgen). In de epidermis bevindt zich geen bladgroen, en de relatief brede zilverige gangen doen sterk denken aan een slakkenspoor. Phyllocnistis-larven eten niet zozeer, maar drinken eigenlijk celsap; de frass is daardoor òf vrijwel onzichtbaar, òf niet meer dan een vage continue lijn.

Phyllocnistis behoort tot de familie van de Gracillariidae. De larven van de andere geslachten van deze familie beginnen hun leven eveneens als celsapdrinkers in een gangmijn in de epidermis, maar na enkele vervellingen gaan ze over tot het eten van parenchym, en de vorming van een vouwmijn.

7289

Phyllocnistis xenia op abeel: epidermale mijn

29/04/2011

mod 27.vii.2017