Oecologie

trends

Een algemene trend is dat mijnen van agromyziden -verreweg de belangrijkste groep van mineerders onder de Diptera- hoofdzakelijk optreden op kruidachtige planten, terwijl vlindermijnen in meerderheid te vinden zijn op houtige gewassen. Misschien is die voorkeur van vlinders de verklaring van de constatering door Klimesch (1957a) dat minerende vlinders in Oostenrijk in het algemeen niet hoger dan 1300 m voorkomen. Een tweede, wat minder scherpe, trend is dat vliegenmijnen hoofdzakelijk gevonden worden voor de hoogzomer, vlindermijnen erna.

oude bladeren

Een bijna vaste regel is dat mijnen vooral optreden bij planten die er niet al te goed bijstaan: planten die donkerder, natter of droger staan dan normaal, kruiden die half door gras of bramen zijn overwoekerd, bomen die door hun buren zijn onderdrukt. Binnen een plant treden mijnen vooral op bij oudere, vaak al beschadigde bladeren, bij kruiden vaak de onderste stengelbladeren. Bij het zoeken van mijnen moet men daarom niet zoeken op de buitenste, frisse bladeren, maar de takken ver opzijbuigen om in het centrum van de plant te kijken. (Opvallende uitzondering: Phyllocnistis-soorten die altijd de jongste bladeren mineren).

stress

Planten bevatten een grote verscheidenheid aan chemische stoffen die een afschrikkend of giftig effect hebben op plantetende insecten, ook mineerders. De concentraties van deze stoffen verschillen van het ene naar het andere individu van dezelfde plantensoort, en zelfs binnen één individu: jonge bladeren en plantendelen zijn giftiger dan oudere. Men veronderstelt dat ook planten en plantendelen die het moeiljk hebben, minder giftig zijn dan planten en bladeren die er gezond bij staan. Hoewel er op deze ‘planten-stress hypothese’ veel uitzonderingen bestaan, ook bij mineerders (Bultman & Faeth, 1987a) geeft het toch een goede eerste verklaring voor het patroon van voorkomen van mijnen op bomen en kruiden (Schoonhoven, Jermy & van Loon, 1998a; Speight, Hunter & Watt, 1999a).

zaailingen

Zaailingen zijn soms bijzonder zwaar bezet met mijnen, veel meer dan ooit te zien is op een volwassen plant. Daarvoor zijn twee verklaringen denkbaar, niet helemaal tegegesteld. Het kan zijn dat deze zwaar bezette, eigenlijk ten dode gedoemde planten de exemplaren zijn met een een te zwak aangeboren verdedigingssysteem om te kunnen overleven, en we zien hier de natuurlijke selectie in werking. Maar het kan ook zijn dat jonge planten in het algemeen nog een minder sterk ontwikkeld chemisch verdedigingssysteem hebben, en dat het min of meer een kwestie van toeval is of een individu het lot van deze foto bespaard blijft.

8972

Tischeria ekebladella op een eikenzaailing

zeldzaamheid

Verschillen in de mate van giftigheid/eetbaarheid van blad tot blad van dezelfde plant zou ook kunnen verklaren waarom zo vaak verscheidene mijnen, van dezelfde of verschillende soorten, worden aangetroffen op één blad, terwijl een buiten verhoudimg groot aantal andere bladeren onaangeroerd blijft (bijv. Ellis, Kuchlein & Meuleman-ten Broeke, 2001a) en daarin genoemde literatuur. Misschien moeten we aannemen dat van de misschien duizenden bladeren van een plant er maar vrij weinig voldoende eetbaar zijn (Lawton, 1986a).

Misschien hangt hiermee ook de merkwaardige zeldzaamheid samen van veel mineers, die toch leven op gewone planten. Vaak moeten, in het geschikte seizoen, vele tientallen struiken, met in totaal vele duizenden bladeren, van bijvoorbeeld rode kornoelje worden bekeken voordat er één mijn te voorschijn komt van Antispila metallella. Toch is de waardplant allesbehalve zeldzaam en zijn de truiken niet zo hoog dat delen van de plant niet te onderzoeken zijn.

groene eilanden

Een klein aantal soorten, vooral Nepticulidae (dwergmotjes) leeft zo laat in het seizoen dat de bladeren vergelen, of zelfs al aan afvallen toe zijn. Rondom hun mijnen is dan meestal een vlek van groen, nog gezond, bladweefsel te zien, die sterk afsteekt tegen de rest van het blad in gele of bruine herfstkleuren. Deze zone van groen weefsel ontstaat doordat de larve cytokininen, een groep van plantenhormomen. afscheidt die het verouderingsproces van het omringende bladweefsel onderdrukken (Giron ea). In feite is het niet de larve, zelf, maar zijn het endosymbiontische bacteriën, die deze stoffen aanmaken (Body ea,, Kaiser ea). Een belangrijke rol wordt daarbij gespeeld door het genus Wolbachia (Gutzweiler ea). Hierdoor blijft voor de larve hoogwaardig voedsel beschikbaar, ondanks de aftakeling van her blad. Door de aanwezigheid van deze zogenaamde “groene eilanden” zijn dergelijke mijnen ook gemakkelijk te vinden op afgevallen bladeren.

Een enkele maal treedt een waarschijnlijk identiek verschijnsel op bij gallen, zoals bij de gallen van Aspondylia sarothamni in de peulen van brem.

11636

Ectoedemia hannoverella op canadapopulier

"green island" surrounding a gall of Hartigiola annulipes

Groen eiland rondom een gal van Hartigiola annulipes op beuk; het galletje is afgevallen, het litteken is nog zichtbaar.

uitzondering

Merkwaardigerwijze zijn de mijnen van Rhamphus pulicarius (in tegenstelling tot de vorige geen vlinder maar een kevertje) in vergeeld blad niet omgeven door een groen eiland.

11614

Rhamphus pulicarius op berk

vraagtekens

Vaak zijn de larven in een groen eiland, in een blad dat al is afgevallen, zo jong dat het de vraag is wat hun slaagkans is. Hieronder een voorbeeld; de grootte van het ei laat zien hoe buitengewoon klein deze Stigmella-larve nog maar is.

17709

Betula pendula, Wolfheze, 6.x.2007, in afgevallen blad

literatuur

Body, Kaiser, Dubreuil, Casas & Giron (2013a), Bultman & Faeth (1987a), Connor & Taverner (1997a), Ellis, Kuchlein & Meuleman-ten Broeke (2001a). Giron, Kaiser, Imbault & Casal (2007a), Gutzwiller (2011a), Gutzwiller, Dedeine, Kaiser, Giron & Lopez-Vaamonde (2015a), Kaiser, Huguet, Casas, Common & Giron (2010a), Klimesch (1957a), Lawton (1986a), Schoonhoven, Jermy & van Loon, (1998a), Speight, Hunter & Watt (1999a).

19/01/2017

mod 27.vii.2017