Leven als mineerder

Om werkelijk te begrijpen hoe een dier, of zelfs een plant leeft, is het nodig om in gedachten in diens huid te kruipen. Het kost wat fantasie, maar het levert veel begrip.

krapte

In een mijn valt weinig te zien; veel larven hebben geen, of tamelijk gereduceerde ogen. Nog minder valt er te lopen. De poten zijn daarom gewoonlijk kort, soms tot stompjes gereduceerd of verdwenen. Waar ze nog wel aanwezig zijn is hun functie voornamelijk om de larve in de gelegenheid te stellen zich schrap te zetten.

In verband met de beperkte ruimte tussen bodem en plafond is de kop van de larve niet, als bij vrijlevende larven, naar beneden, maar naar voren gericht. Ook is de kop vaak heel sterk afgeplat, soms zelfs bijna beitelvormig. In het algemeen zijn de larven ook kleiner dan bij verwante vrijlevende soorten.

12348

Phyllonorycter leucographella op vuurdoorn: kop van opzij

voortbeweging

Voor de voortbeweging, en meer nog het schrapzetten bij het eten in de beperkte ruimte van de mijn, zijn er verscheidene kenmerkende aanpassingen. Het larvelichaam van Agromyzidae is daarvoor uitgerust met banden fijne, achterwaarts gerichte stekeltjes op alle segmenten; vooral bij de grotere soorten zijn ze relatief grof. Achteraan is het lichaam soms vrij sterk verbreed, tot zwaar bestekelde ‘heupen’.

14198

Agromyza ferruginosa op smeerwortel


14198

Agromyza ferruginosa op smeerwortel: “heupen”, dorsaal

Zowel bij de vlinders als bij bladwespen is een aanpassing ontstaan aan het schrapzet-probleem, bestaaande uit paren uitstulpbare bulten op de borstsegmenten.

14262

Coptotriche angusticollella op roos, lateraal

14757

Metallus pumilus op braam, dorsaal

Verbreding van de lichaamssegmenten is ook een voor de hand liggende oplossing.

xxxx

Cameraria ohridella op paardenkastanje

solitair, soms sociaal

In de meeste gevallen begint een mijn bij één ei, en de larve leeft dus solitair. Het kan gebeuren dat mijnen van twee solitaire larven, zelfs van verschillende soorten, elkaar raken en fuseren. Nooit heb ik in dergelijke gevallen aanwijzigingen van onderlinge aggressie gezien.

17746_3

Fenusa dohrnii (links) en Heterarthrus vagans (rechts) op els

Bij een klein aantal soorten wordt niet 1 ei, maar een groepje van ca. 5 eieren biijeen afgezet, bijvoorbeeld bij het vliegengeslacht Pegomya. De larven die uit de eieren komen gaan niet ieder hun eigen gang, maar maken “schouder een schouder” een gang, die zich later verbreeft. Ook als de mijn zich tot een blaas heeft verbreed liggen vaak nog verscheidene larven tegen elkaar te vreten. Deze larven vertonen dus sociaal gedrag.

8162

Pegomya solennis op ridderzuring

vervelling

Alle insectenlarven maken een aantal vervellingen door. Soms markeert een bepaalde vervelling een verandering van gedrag. Zo valt bij soorten die een gangblaasmijn maken de overgang van gangmijn naar blaasmijn altijd samen met een vervelling. De oude larvehuidjes blijven in de mijn en verschrompelen; meestal zijn ze moeilijk terug te vinden, maar bij bladwespen lukt dat meestal gemakkelijk.

12563

Scolioneura vicina op berk: exuvia

op de rug, op de buik

De houding van de larve in de mijn is buitengewoon constant. Agromyzidae- en Tephritidae-larven liggen altijd op hun zij; Anthyomyidae-larven liggen op hun buik. Bladwesplarven liggen altijd op hun rug, evenals Coptotriche– en Chrysoesthia-larven. Van de twee belangrijke Nepticulidae-geslachten liggen de Ectoedemia’s op hun rug, maar de Stigmella’s op hun buik.

obstakels

Onvermijdelijk komt de minerende larve regelmatig een nerf tegen. Vooral dikke nerven kunnen een werkelijke barrière betekenen, die een duidelijke beperking stelt aan de richting of uitbreiding van de mijn. Pas nabij de bladtop of -rand is de nerf zo dun dat hij genomen kan worden.Daarbij wordt meestal de nerf niet doorgebeten, maar de larve glipt naar de overzijde tussen de bladepidermis en de, door een harde mantel van verstevigingsweefsel omgeven eigenlijke kern van de nerf door. Deze oversteek gebeurt bijna altijd bovenlangs.

7476

Phytomyza senecionis op schaduwkruiskruid

Lyonetia clerkella is onder meer gekenmerkt doordat de gang van deze soort gemakkelijk de hoofdnerf kruist. Dat gebeurt op een ongewone wijze: de oversteek is onderlangs.

17590

Lyonetia clerkella op berk

verhuizen

Sommige soorten mineerders verhuizen af en toe, hetzij als routine, dan wel omdat ze gedwongen worden door voedselgebrek (een te klein blaadje, teveel andere larven in hetzelfde blad). Het uit een mijn kruipen is daarbij geen probleem, maar wel het zich opnieuw inboren: de larve kan zich niet meer goed schrap zetten, en de buitenkant van een plant is hard en glad (of, voor kleine dieren geen geringer obstakel, harig). Lang niet alle soorten beheersen de noodzakelijke techniek, en zijn daarom volledig overgeleverd aan de lotgevallen van ‘hun’ mijn.

water in de mijn

Na een regenbui, of in een ochtend met veel dauw, bevatten mijnen vaak waterdruppels. Dat is merkwaardig omdat de meeste mijnen, zolang zich daarin nog een larve bevindt, geen herkenbare openingen hebben. In mijnen waarin water staat zijn de larven vaak onbeweeglijk en lijken dood. Maar als zulke mijnen verzameld worden, en een nachtje in de koelkast hebben gelegen, is het water verdwenen en zijn de larven druk aan het eten. Of een langdurige regenperiode tot sterfte leidt is niet bekend

11487

Agromyza abiens op hondstong: jonge mijnen

Soms is te zien dat de larven toch ook drijfnat in de mijn aan het werk zijn. De larve ligt op zijn buik; tussen rug en bovenepidermis is duidelijk water te zien.

14095

Pegomya solennis op ridderzuring

Deze mijn bevat meer water dan lucht:

water in the mine

Phytomyza chaerophylli op dolle kervel

19/07/2010

pub 22.iv.2016 · mod 27.vii.2017