Een beetje geschiedenis

Veel mijnen zijn allesbehalve onopvallend, en het is bijna zeker dat ze ook in vroeger tijdens soms de aandacht hebben getrokken. Toch is de eerste schriftelijke verwijzing waarvan ik het bestaan weet betrekkelijk recent.

1681

Johann Christoph Beckmann publiceert een geschriftje van 18 pagina’s over “slangengestalten” die op boombladeren zijn waargenomen. Ik ken het bestaan van deze publicatie alleen omdat hij genoemd wordt in het boek van von Rohr (1732) en uit een artikel van Quantz (1927). Beiden hebben Beckmann’s zeldzame boekje evenmin gezien, maar alleen een referaat in de “Acta Leopoldina” van 1692. Daaruit valt af te leiden dat het gaat om mijnen van Lyonetia clerkella op Prunus. Beckmann neemt waar dat de “gestalen” veroorzaakt worden door insectenlarven, die op hun beurt weer ontstaan zijn als gevolg van stinkende nevel en een ongewoon warme voorafgaande winter. Mijnen ontstaan op twee manieren: een “wormpje” kruipt over een blad en vreet daaraan onder het gaan, of insecten produceren een bijtende vloeistof die het blad aantast.

Agromyza alnivora mines

Agromya alnivora op Alnus incana; uit von Lebewaldt (1692, Quantz, 1927a). Door het aanbrengen van schaduwlijntjes heeft de tekenaar van vlakke mijnen drie-dimensionale slangetjes gemaakt.

1692

Ook een artikel van Adam von Lebenwaldt in de Acta Leopoldina uit 1692 ken ik alleen dankzij Qantz, die ook bovenstaande afbeelding reproduceert. Hij bericht uit Neder-Stiermaken: “Na een zware regenval vertoonden bijna alle elzen-bladeren in het bos deze slang-achtige tekens. Een zogenaamde tovenaar werd daarop gevangen genomen, die met behulp van de duivel deze regen had veroorzaakt, en bekende dat hij het zijn bedoeling geweest was om een giftige pestilentie over het dorp te verspreiden; wat god echter had verhinderd.” Waarna de tovenaar veroordeeld werd tot de dood op de brandstapel.

1724

Ook het artikel van Magister Georg Heinrich Büchner, predikant te Seebach bei Müllhausen in Thüringen verscheen in de Acta Leopoldina, maar is ook letterlijk overgenomen door Qantz. Hierin wordt definitief vastgesteld dat de mijn van Lyonetia clerkella veroorzaakt wordt door een tunnelende insectenlarve, die afkomstig is uit een ei.

1737

In het derde deel van zijn indrukwekkende, zesdelige, werk over de biologie van de insecten beschrijft de Réaumur de mijnen, larven en poppen van een aantal mineerders – en hun biologie. Hij realiseert zich dat bepaalde mineers slechts op een enkel plantengeslacht voorkomen. En, kennelijk omdat de biologie van deze larven hem doet denken aan het bestaan van mijnwerkers doopte hij deze insecten “mineurs” – wat mijnwerkers betekent.

1874

Gedurende de 19e eeuw is de belangstelling voor mijnen niet bijzonder groot, misschien wel omdat de meeste aandacht uitging naar het beschrijven en catalogiseren van de veelheid aan insectensoorten, waarvan men zich tot dan toe nauwelijks bewust was. Uitzonderlijk was daarom het werk van Kaltenbach, dat gericht was op de relatie tussen insecten- en plantensoorten. Mineerders spelen in zijn omvangrijke boek een belangrijke rol.

1957

Zonder twijfel was het Erich Martin Hering, die tijdens zijn lange en onwaarschijnlijk actieve leven de studie van mineerders als eigen discipline binnen de entomologie vorm gaf (en zelfs een naam: “hyponomologie”). Naast een lange reeks tijdschriftartikelen die verschenen tussen 1920 en 1967, publiceerde hij in in 1951 een boek over de biologie van mineerders. Zijn belangrijkste, en in deze website talloze malen geciteerde werk is zijn driedelige boek over de mineerders van Europa uit 1957, dat een voortzetting en uitbreiding was van een eerder boek uit 1934-1937.

literatuur

Beckmann (1681a), Büchner (1724a), Haase (1966a), Hering (1934-1937a, 1951a, 1957a), Kaltenbach (1874a), von Lebewaldt (1692), Quantz (1927a), de Réaumur (1737), von Rohr (1732), Spencer (1968a).

27/09/2011

pub 2.v.2015 · mod 27.vii.2017