Pop

Een van de belangrijkste kenmerken van een mijn is of de larve zich in de mijn verpopt, of zich eerst naar buiten werkt om zich vervolgens buitenop de de plant of in de grond te verpoppen. Er zijn maar weinig soorten die nu eens het een, dan het ander doen. Om te kunnen vaststellen of de verpopping inwendig of uitwendig is, is het handig om niet te weinig mijnen van een plant te verzamelen. Als een of meer mijnen een pop bevatten is de zaak natuurlijk duidelijk. Als er mijnen bij zijn zonder larve kan men wel aannemen dat de verpopping uitwendig is; vaak is op het eind van de mijn dan nog een sneetje in de epidermis te zien waardoor de larve naar buiten is gekomen. Een echt probleem is er alleen wanneer er alleen mijnen met dode, geparasiteerde, mijnen te vinden zijn.

puparia

Bij de hogere Diptera (primitieve Diptera mineren niet) speelt de overgang van larve naar pop zich af binnnen de larve-huid: die huid wordt niet afgestroopt, maar verdroogt en wordt hard. Als de volwassen vlieg naar buiten komt moet hij dus zowel de huid van de pop als die van het laatste larvestadium doorbreken. In feite vervult de laatste larvehuid daarmee dezelfde rol als een cocon. Vanwege die bijzondere aanpassing worden vliegen-‘cocons’ niet als poppen aangeduid, maar als puparia. In het Nederlands heten ze, om hun gedrongen vorm, tonnetjes. De voor- en achterspiracula van de larve blijven ook bij het puparium te zien.

Op de foto hieronder is een puparium te zien, waar de ‘hechting’ tussen pophuid en laatste larvehuid zo gering was, dat deze van de onderlaag is losgekomen. Het onderste deel van de foto toont dus een echte vliegenpop!

15301

Phytomyza agromyzina op kornoelje: pop en resten van het puparium

Soms zijn bij Agromyzidae de kleur en vorm van het puparium van belang voor de determinatie, terwijl het gaat om soorten die zich buiten de mijn verpoppen. Vaak lukt het om het puparium te zien te krijgen door mijnen met larven een paar dagen in een klein plastic zakje (waarin de mijn dus niet verdroogt) op een koele plaats te bewaren. De larven maken een snelle ontwikkeling door, en verpoppen zich meestal binnen een dag of twee in het zakje (Larven van vlinders stellen veel hogere eisen aan hun kweekomgeving.) De puparia hieronder lagen na enkele dagen als peperkorrels in het verzamelzakje; ze zijn alleen nog niet goed uitgekleurd.

13898

Phytomyza cf. spondylii op berenklauw: puparia

spiracula door de epidermis

Bij veel Agromyzidae-soorten waarvan het puparium in de mijn wordt gevormd steekt een van paren spirula door de epidermis naar buiten. Meestal betreft her de voorspiracula, en vaak -maar niet altijd- is het een soort van het geslacht Chromatomyia.

12421

Phytomyza ilicis op hulst: voorspiracula

Phyllonorycter

De poppen van Phyllonorycter hebben voor op de kop een spits ‘neusje’ waarmee ze zich kort voor het uitkomen half uit de mijn werken. Na het uitkomen blijft het exuvium (vervellingshuidje) achter. Dat is handig, want het kan voorzichtig uit de mijn worden getrokken, en geeft dan de mogelijk het cremater te bekijken, ondanks dat er geen pop meer in de mijn zit.

15457

Phyllonorycter geniculella op esdoorn: exuvium

cremaster

Vlinderpoppen hebben op het laaste (10e) achterlijfssegment vaak min of meer haakvormige structuren. Vaak, zoals bij Phyllonorycter-soorten zijn ze essentieel voor de determinatie.

16696

Phyllonorycter acerifoliella op spaanse aak: cremaster

3.ix.2007

mod 1.viii.2017