Praktijk

verzamelen en bewaren

Voor het verzamelen van mijnen in het veld is niet veel meer nodig dan een goede loupe en een flink aantal plastic zakjes. Neem eventueel een bloem of ander herkenningsmiddel mee om thuis nog te weten van welke plantensoort de bladeren afkomstig was. De handigste zakjes zijn zelfsluitend door middel van een plastic ribbel-en-groef aan de bovenzijde, van10 tot 15 cm hoog. (Officieel heten ze minigripzakjes.) Het is belangrijk dat zakjes met bladeren erin goed gesloten blijven, en dat maar één plantensoort (of ‘mijnensoort’) in een zakje wordt bewaard; sommige larven kruipen vrij snel uit de mijn, en verpoppen zich soms al in het verzamelzakje. ‘Minigripzakjes’ blijven door de stijve ribbel vlak, wat handig is omdat de bladeren niet verfomfaaid worden. Maar vooral blijft daardoor weinig lucht in het gesloten zakje, waardoor er weinig gelegenheid tot uitdrogen is. Goed gesloten zakjes kunnen enkele dagen bewaard worden, bij voorkeur maar niet noodzakelijk, in een koelkast.

Na determineren kunnen de bladeren bewaard worden door er herbarium-materiaal van te maken in een plantenpers. Die is gemakkelijk zelf te maken van twee plankjes, ter grootte van een dubbelgeslagen krant (ca. 30 x 45 cm) en twee spanbanden, die bij een sportzaak te koop zijn. Het is belangrijk de bladeren lang (minimaal twee weken) en tussen ruim kranten te drogen, zodat er geen kans op beschimmeling bestaat. Ook moeten de spanbanden stevig worden aangesjord, zodat de bladeren niet bobbelig kunnen opdrogen: drogen in een telefoonboek is niet voldoende! Gedroogde bladeren kunnen worden bewaard in enveloppen. Zelf bewaar ik ze in plastic zakjes (van hetzelfde type en maat als de verzamelzakjes) in kaartsysteemdozen.

minigripzakje

collectie – materiaal

determineren

Mijnen zijn veel variabeler dan insecten, en daarom niet altijd even goed te determineren. Soms is die varabiliteit te begrijpen. Bladeren die in de volle zon groeien zijn dikker dan bladeren van dezelfde plant die permanent in de schaduw liggen. Om de hoeveelheid bladweefsel te eten die voor zijn ontwikkeling nodig is, moet een larve in een dun blad een grotere mijn maken dan wanneer hij in een dik blad zou leven. Mijnen in schaduwbladeren zijn daarom groter, en gangmijnen langer en losser gewonden, dan bij zonbladeren (Bruun, 1989a). Veel banaler is natuurlijk dat mijnen verouderen; door indringend regenwater kan de frass van structuur veranderd zijn of weggevoerd.

Hier komt bij dat van veel soorten de mijnen, maar meer nog de larven onvoldoende beschreven zijn – niet zelden helemaal niet. Bij het maken van de tabellen was dat een groot probleem. Van een gewone soort als bijvoorbeeld Stigmella samiatella is de larve nog steeds niet bekend, en mede daardoor is het onmogelijk om zo veel voorkomende Stigmella-mijnen op eik tot op de soort te determineren (uitgezonderd St. basiguttella).

larven en poppen

Larven en poppen kunnen uit de mijn worden gepeuterd met een zeer fijne pincet en prepareerdnaalden. Ze worden voor onderzoek overgebracht in een horlogeglaasje met een paar druppels water en een spoortje detergens (wasmiddel) om te voorkomen dat ze op het opppervlak blijven drijven. Larven worden gedood door ze het horlogeglaasje (eventueel een theelepeltje) kort en snel te verhitten boven een sigarettenaansteker. Verhit de larve niet langer dan totdat de bewegingen geheel gestopt zijn: langer verhitten maakt de larven nodeloos ondoorzichtig, zodat bijvoorbeeld het kopskelet niet meer goed zichtbaar is.

Larven en poppen kunnen worden bewaard in 70% alcohol. Zelf gebruik ik een mengsel dat door E von Törne ontwikkeld is: 1 liter isopropylalcohol + 30 ml ijsazijn (geconcentreerd aziijnzuur) + 3 ml formol 40%.

Als verse larven in een van deze vloeistoffen worden gedompeld wordt snel water aan het lichaam onttrokken, waardoor ze samenklappen, en er onooglijk uit gaan zien. Om dat te voorkomen fixeer ik ze eerst gedurende een paar weken in KAAD: isopropanol 100 ml + ijsazijn 20 ml + kerosine 10 ml + dioxaan 10 ml.

Larven en poppen worden met een nummer-etiket bewaard in kunststof buisjes-met-dekseltje van 1.5 ml, die in biochemische laboratoria als ‘epjes’ voor eenmalig gebruik gemeengoed zijn. Het nummer correspondeert met eenzelfde nummer in het mijnenherbarium, en een database (Filemaker) waarin alle veldwaarnemingen en determinaties zijn opgeslagen. De buisjes gaan per soort in plastic potjes van 50 cc; ook de etikettering daarvan wordt vanuit de database geprint.

epjes

epjes

potjes

collectie

microscopie

Voor het bestudferen van geconserveerde larvenm is het meestal nodig ze op te helderen. Dit kan in chloralphenol, dat is vervloeide phenol (“phenolum liquefactum”), waarin zoveel chloralhydraat is opgelost als mogelijk is. Larven die in deze vloeistof worden gedompeld worden in verloop van enkele minuten glasachtig. Na bestudering kunnen ze weer teruggedaan worden in de conserveervloeistof, en verdwijnt de transparantie. Pas gedode larven barsten als ze in chloralphenol worden gedeponeerd, het is beter ze enige dagen te laten fixeren in de conserveervloeistof. Chloralphenol is giftig, ruikt sterk en niet aangenaam en chloralhydraat is niet vrij verkrijgbaar, daarvoor de is hulp nodig van een bevriend instituut. Ophelderen in kruidnagelolie is eveneens mogelijk, maar ik heb er geen ervaring mee.

Vaste preparaten kunnen worden gemaakt door de larven te behandelen met een verdunde oplossing van KOH, spoelen met gedestilleerd water, overbrengen in alcohol, licht kleuren met Chlorazol Black, en via een alcoholreeks inbedden in Euparal. Een uitvoerige handleiding voor het maken van prepraten van agromyziden-larven staat in Hering (1954a).

foto’s

De meeste foto’s van mijnen zijn gemaakt met een scanner die de mogelijkheid heeft om ook dia’s en grotere foto’s te scannen (een ‘doorzichtscanner’.) Het merk is Epson Perfection 2450 Photo. De microfoto’s worden gemaakt met een Leica stereomiscroscoop (MZ 16) met vast opgebouwde digitale camera (DF 320).

literatuur

Deschka (1998a) geeft een uitvoerige bespreking van alle aspecten van de studie van minerende Lepidoptera.

01/01/2013

mod 1.viii.2017