Hemiptera: Aphididae

Binen de Hemiptera vormen de Sternorrhyncha de grootste en meest complexe groep. Binnen de Sternorrhyncha geldt ditzelfde voor de Aphidomorpha, de bladluizen en verwanten. Aphidomorpha hebben een zeer lange zuigsnuit (de in rust binnen het lichaam wordt opgeborgen).

Veel Aphidomorpha-soorten vertonen waard-wisseling. Daarbij legt een bevrucht wijfje eieren op plantensoort A; die jonge dieren ontwikkelen zich daar ook, maar eenmaal volgroeid migreren ze naar plantensoort B, waar ze parthenogenetisch een aantal generaties doormaken. Tegen het eind van de zomer ontstaan naast vrouwtjes ook weer mannetjes waarna de cyclus herbegint. Plantensoort A, de primaire waardplant, is gewoonlijk een boom of struik, B, de secundaire, een kruid. Sommige soorten hebben deze cyclus vereenvoudigd; ze leven, facultatief, soms als geheel, parthenogenetisch op wat ooit de secundaire waardplant was.

Aphididae vormen veruit de grootste groep van de Aphidomorpha. Ze zijn gekenmerkt door het bezit van een tweetal gewoonlijk buisvormige klieren op het achterlijf waar honingdauw wordt afgescheiden: de siphunculi (= siphonen = orniculi). De luizen op de secundaire waardplant zijn levendbarend.

Within the Hemiptera, the Sternorrhyncha form the largest and most complex group. Within the Sternorrhyncha, the same applies for the Aphidomorpha, the aphids and relatives. Aphidomorpha have an exceedingly long proboscis (that may be retracted within the body when not in use).

Many Aphidomorpha species demonstrate hostplant alternation. A fertilised female then deposits her eggs on plant species A; the progeny develops there but, once full grown migrates to plant species B, where a number of parthenogenetic generations follow. Against the end of the season along with females also males are formed, and the cycle restarts. Plant species A, the primary hostplant, generally is a tree or shrub, B, the secondary one, a herb. Some species have again simplified the cycle: they live, either faculatatively or entirely, parthenogenetically on the secondary host plant.

Aphididae form the largest group of the Aphidomorpha. They are characterised by having a pair of dorsal, generally tubular glands wehere honeydew is excreted: the siphunculi ( = siphons = cornicles). The aphids on the secondary host plants are viviparous.

literatuur:

references:

Aphids, Blackman & Eastop (2014), Börner & Heinze (1957a), Richards & Davies (1977a).

05/12/2014