Nematocera: Cecidomyiidae

Galmuggen

De larven van gallmuggen zijn pootloos, hebben geen herkenbare kop of monddelen; als ze volgroeid zijn, zijn ze vaak geel, oranje of rood van kleur. Ze verpoppen zich in een cocon, maar enkele soorten maken een puparium, wat voor Nematocera uitzonderlijk is. De larven van een deel van de soorten is carnivoor (levend van galmijten of bladluizen) of leeft van schimmelsporen (ze ontbreken zelden op een blad dat met roestschimmel is bezet), maar de meerderheid van de soorten leeft van planten. zitten dan diep in een plooi, soms in een echte holte of in een vrucht en produceren speeksel met spijsverterings-enzymen dat na verloop van tijd weer wordt opgenomen.

De legboor is relatief lang, maar niet zwaar gesclerotiseerd. Soms wordt daarom gebruik gemaakt van door andere insecten gemaakte boorgangen om een ei dieper in de plant af te zetten, of wordt het spons-parenchym via een huidmondje bereikt (bijvoorbeeld bij Cystiphora).

Veel larven hebben in het derde, laatste, stadium ventraal aan het borststuk een chitine-staafje, de spatula; vaak heeft die aan de kopzijde twee of drie tandjes.

Larven van het geslacht Contarinia, kunnen springen.

Larven van de genera Asphondylia en Lasioptera leven in symbiose met fytofage schimmels. De wijfjes hebben een speciaal orgaan om schimmelsporen mee te nemen en te deponeren tijdens de ovipositie (Thomas & Goolsby).

Gall midhes

The larvae of gall midges are apodous, have no recognisable head or mouthparts; when full grown they often are bight yellow, orange or red in colour. They pupate in a cocoon, but a few species make a puparium, which is exceptional for Nematocera. The larvae of a number of species are carnivorous (feeding on gall mites of aphids) or feed on fungus spores (on a leaf that is attacked by rust fungi they are almost invariably present), but the majority is phytophagous. They are hidden deep in a fold, sometimes in a cavity or fruit and produce saliva containing digestive enzymes that afteer some time is re-ingested.

The ovipositor is relatively long, but not heavily sclerotised. To penetrate deeper in a plant therefore sometimes galleries are used that have been made by other insects, or the sponge parenchyma is reached through a stoma (e.g. in Cystiphora).

Many larvae have in their third, last instar ventrally on the thorax a slender chitinous rod, the spatula that often ends anteriorly with two or three teeth.

Larvae of the genus Contarinia, are able to jump.

Larvae of the genera Asphondylia and Lasioptera live in stmbiosis with phytophagous fungi. The females have specialised organ to store fungal spores and to deposit them during oviposition (Thomas & Goolsby).

literatuur:

references:

Joy (2009a), Mamaev & Krivosheina (1993a), Skuhrav√° (1991a), Richards & Davies (1977a), Rohfritsch (2011a), Skuhrav√° (1997a), Thomas & Goolsby (2015a), Tokuda (2012a).

09/01/2017