Acari: Eriophyidae

De familie van de Eriophyidae is de grootste van de Eriophyoidea, galmijten. Galmijten zijn zonder uitzondering fytofaag en leven op de buitenzijde van de bovengrondse delen van planten. Ze zijn van alle andere mijten te herkennen door het bezit van slechts twee pootparen. Ze zijn spoel- of wormvormig en bijzonder klein, gemiddeld 0.2 mm. Door die geringe grootte kunnen ze leven in de lengtegroeven aan de bovenzijde van grasbladeren, ónder de sterharen aan de blad-onderzijde van planten als olijf of olijfwilg, binnen de bladscheden van grassen en zeggen of de naalden van coniferen, of, voor de overwintering, onder knopschubben. In enkele gevallen, zoals bij Eriophyes pyri, leven niet op, maar in het blad, in het sponsparenchym.

Zoals bij veel mijten zijn de monddelen ingericht op steken/zuigen. Galmijten steken individuele epidermis-cellen aan, en zuigen deze leeg. Wanneer de wand van de epidermis-cellen een stevige structuur heeft blijft de celwanden overeind maar wordt de cellen met lucht gevuld, wat het oppervlak van de plant een zilverachtig aspect geeft. In andere gevallen vallen de epidermis-cellen samen, en verliezen hun beschermende functie voor de dieper gelegen cellagen. Die kunnen daardoor uitdrogen, verkleuren, verbruinen, of afsterven. Bladeren kunnen als gevolg hiervan vervormen, de randen rollen soms in.

Bij het aanprikken van de cellen wordt speeksel afgescheiden om de celwand the verzwakken. In sommige gevallen reageert de plant daarop met abnormale groei, waardoor gallen ontstaan. Vaak worden zo erinea gevormd, dat zijn veldjes bedekt met een abnormale beharing, waartussen de mijten leven. Maar ook kunnen min of meer buidelvormige structuren ontstaan, waarbinnen de mijten leven.

Galmijten die vrij op de plant leven (meestal de onderzijde van de bladeren), en die wel verbruining en dergelijke kunnen bewerkstelligen, maar geen gal-achtige structuren veroorzaken worden in den Engelse literatuur gewoonlijk vagrants genoemd.

Bij verscheidene soorten treedt, naast mannetjes en wijfjes, nog een tweede type wijfjes op, deutogynen, die in het bijzonder aangepast zijn aan verspreiding en overwintering. Deutogynen zijn morphologisch verschillend van de protogynen.

The family of the Eriophyidae is the largest of the Eriophyoidea, gall mites. Gall mites are without exception phytophagous and live on the outside of the above-ground parts of plants. They are distinguished from all other mites by having but two pairs of feet. They are fusiform to worm-like and very small, 0.2 mm on average. This minute size enables them to live within the length grooves on the upper-side is grass leaves, below the stellate hairs at the underside pf plants like olive or Eleagnus, within the leaf sheaths of grasses and sedges or the needles of conifers, or, for the hibernation, behind bud scales. In a few cases, like in Eriophyes pyri, the doy not live on the plant surface but internal, in the sponge parenchyma.

Like in many mites the mouthparts are arranged for piercing and sucking. Gall mites pierce the cell walls of individual epidermis cells and drain them. When the epidermis cells have thick walls, these remain upright and the cells are filled with air, which give the plant's surface a silvery appearance. In other cases the epidermis cells collapse, losing their protective function for the tissues below. There lose moisture, get discoloured turn brown or die off. Leaves may change shape, their margins curling in.

In preparation of the piercing of the cells, salive is secreted to weaken the walls. In some cases the plant reacts to substances in the saliva by abnormal growth, causing galls. Often erinea are formed in this way: fields with an abnormal hair cover, between which the mites are hiding. But also more or less pouch-like structures may be formed, housing the mites.

Gall mites that live free on the plant (generally at the underside of the leaves) that in high densities may cause russeting, but not the development of typical galls, are called vagrants in the English literature.

In a number of species, next to males and normal females, a second type of females does occur, deuterogynes, that are specifically adapted to dispersal and hibernation. Deuterogynes are morphologically different from the protogynes.

literatuur:

references:

Amrine & Stasny (1994a), Farkas (1965a, 1966a), Nuzzaci & de Lillo (1996a), Pećinar, Stevanović, Rector & Petanović (2011a), Petanović (2008a), Rančić & Petanović (2002a), Rancic, Stevanovic, Petanović, Magud, Tosevski & Gassmann (2006a), Skoracka (2006a), Skoracka, Lewandowski & Boczek (2005a), Thomsen (1976a, 1988a).

18/02/2017