Ascomycota: Erysiphales, Erysiphaceae

Echte meeldauwen

De echte meeldauwen, Erysiphales met als enige familie de Erysiphaceae vormen een gote groep van obligate plantenparasieten. Het mycelium bevindt zich grotendeels buiten op de plant; slechts bij een klein aantal soorten dringt het via de huidmondjes ook het plantenlichaam binnen. De hyphen zijn middels kleine orgaantjes, appressoria, vastgehecht aan de epidermis van de plant, en vanaf diezelfde punten groeien uitlopers de epidermis en diepere cellagen in en onttrekken daaraan voedingsstoffen.

Het mycelium vormt grote aantallen ongeslachtelijke conidia. Soms enkele, aan het eind van een hyphe, soms in ketens. De conidia van sommige soorten bevatten sterk lichtbrekende deeltjes, die doen denken aan kleine glas-splinters: de zogenaamde fibrosine-lichaampjes; ze zijn alleen zichtbaar in vers mateiraal (bijv. bij Podosphaera fugax).

Geslachtelijke voortplanting vindt plaats in meestal bolvormige, donker gekleurde structuren, cleistothecia (ook chasmothecia genoemd), waarin een beperkt aantal asci wordt gevormd. Sommige soorten maken (bijna) nooit cleistothecia; soorten die ze wel maken doen dat vaak pas in het najaar. Cleistothecia hebben vaak kenmerkend gevormde aanhangsels.

Powdery mildews

The powdery mildews, Erysiphales, with the only family Erysiphaceae, form a large group of obligate plant parasites. Most of the mycelium exists at the outside of the plant; only in a limited number of species the plant body is entered through the stomata. With small, specialised structures, appressoria, the hyphae are firmly attached to the epidermis of the plant. Precisely from these points small extensions penetrate more or less deeply into the tissue and extract nutrients.

The mycelium forms large masses of asexual conidia. Sometimes one by one, at the end of a hyphe, more often in chains. The conidia of some species characteristically contain strongly refractive particles that remind one of tiny shards of glass, the so-called fibrosin bodies; they are visible only in fresh material (e.g., in Podosphaera fugax).

Sexual reproduction occurs in generally globular, darkly pigmented structures, cleistothecia (also called chasmothecia), in which a limited number of asci is formed. Some species (almost) never make cleistothecia; species that do make them generally do so in late summer. Cleistothecia often have characteristically formed appendages.

literatuur:

references:

Alexopoulos, Mims & Blackwell (1996a), Braun (1995a), Braun & Cook (2012a), Takaamatsu (2013a), Zheng (1985a).

17/12/2016