Oomycota: Peronosporaceae

Valse meeldauwen

De valse meeldauwen verschillen van de Albuginaceae in het feit dat de conida niet onder de epidermis van de waardplant worden gevormd, maar uitwendig, op een conidiofoor: een rechtopstaande en verdikte hyphe, tot bijna een milimeter lang, die nabij de top meestal meermalen vertakt is, met aan elk eindtakje een min of meer eivormig conididium. Ook hier worden de termen conidium/conidiofoor en sporangium/sporangiofoor door elkaar gebruikt in de literatuur. De conidioforen bevinden zich gewoonlijk aan de onderzijde van de bladeren; bij enkele gespecialiseerde soorten bevinden de conidioforen zich op de bloemkroon.

Binnenin het weefsel van de waardplant worden oosporen gevormd, dikwandige, bolronde sporen, soms met een kenmerkende oppervlakte-structuur. Ze kunnen lang in leven blijven, ook nadat de waardplant is afgestorven. Ze kunnen zelfs gevormd worden in vruchten en zaden, en zo de verspreiding van de schimmel mede bewerkstelligen.

De mate waarin de waardplant te lijden heeft onder deze schimmels verschilt sterk. Soms is er niet veel meer te zien dan een lichte, al dan niet nerf-begrensde verkleuring van de bovenzijde van het blad. Maar ook ernstige groeistoringen en vervormingen kunnen optreden, vooral in die delen van de plant waar oosporen worden gevormd.

Echte en valse meeldauwen hebben niet veel meer gemeen dan een oppervlakkige gelijkenis. Echte meeldauwen (Erysiphaceae) hebben geen conidioforen, maar bolvormige vruchtlichaampjes (lang niet altijd aanwezig); het mycelium ligt hoofdzakelijk bovenop het blad.

Downy mildews

The dowwny mildews differ from the Albuginaceae by the fact that the conidia are not formed below the epidermis of the host plant, but externally, borne on a conidiopore: a vertically erect, thickened hypha, up to almost a milimeter in height, that apically is repeatedly branching, each terminal branch bearing a ± ovoid conidium. In this family too the terms conidium/conidiophore and sporangium/sporangiophore are used exchangably in the literature. The conidiophores generally are formed at the underside of the leaves; in some specialised species they occur on the corolla.

Within the tissues of the host plant oospores are formed: thick-walled, globular resting spores, sometimes with a characteristic surface structure. They are long-lived, surviving the death of the host plant. They may even be formed in fruits and seeds, thereby effectively contributing to the dispersal of the fungus.

The damage to the hostplant is quite variable. Something all that can be seen is a slight discolouration, perhaps limited by the venation, of the upper side of the leaves. At the other extreme strong growth disturbances and malformations may occur, especially in those parts of the plant where oospores are being formed.

Powdery and downy mildews actually have nothing more in common than a superficial similarity. Powdery mildews (Erysiphaceae) have no conidiophores but globular fruiting bodies (often missing); the mycelium mostly is at the upper side of the leaves.

literatuur:

references:

Alexopoulos, Mims & Blackwell (1996a), Gäumann (1964a), Webster (1980a).

04/10/2015