Hymenoptera: Symphyta

Bladwespen

De twee kleppen van de legboor, die een gemeenschappelijk kenmerk is van alle Hymenoptera, zijn hier veranderd in twee zaagblaadjes, waarmee het wijfje een snede in het plantenweefsel kan maken om er een ei in af te zetten. Vaak reageert de plant hierop met vorming van wondweefsel, een ovipositie-litteken. Ze worden in de gallen-literatuur vaak als protocecidia besproken. Vaak worden de eieren in een rijtje afgezet op een bladsteel of hoofdnerf, of in een dubbele rij aan weerszijden van de hoofdnerf.

De larven zijn strikt fytofaag. Ze lijken zo sterk op rupsen dat ze wel bastaardrupsen worden genoemd. Vrijlevende bastaardrupsen zijn meestal snel te herkennen aan het feit dat tussen kop en borststuk een duidelijk nek aanwezig is: bij echte rupsen is de kop altijd min of meer in het borststuk ingetrokken. Bij verontrusting nemen veel bastaardrupsen een kenmerkende houding aan: hoog opgericht, met het lichaam in een S-bocht. Omdat ze vaak min of meer sociaal zijn is dit heel opvallend en vaak gefotografeerd.

Een punt van overeenkomst is dat larven van beide groepen buikpoten bezitten. Bastaardrupsen hebben altijd tenminste een paar buikpoten op het tweede achterlijfssegment, echte rupsen nooit. De meest voorkomende rangschikking bij bladwespen is buikpoten op segmenten 2-8, en 10: acht paren dus, terwijl bij Lepidoptera nooit meer dan vijf paren optreden. De buikpoten van bastaardrupsen hebben aan hun top nooit een krans van haakjes, die van rupsen bijna altijd juist wel. Maar omdat poten en buikpoten bij minerende larven van beide groepen in wisselende mate gereduceerd zijn is dat niet altijd een bruikbaar verschilkenmerk.

Bastaardrupsen hebben aan weerszijde van de kop slechts één stemma (puntoogje), echte rupsen hebben bijna altijd een groepje van 6 puntoogjes (Chevin, 1998a; Stehr, 1987a).

Bij Symphyta is het laatste larvestadium vaak sterk afwijkend van het voorafgaande: poten en monddelen zijn dan gereduceerd, en de zogenaamde prepupa is kleurloos en niet of weinig beweeglijk. In dit stadium eet de larve niet meer.

Sawflies

The two blades of the ovipositor, which is a common character of all Hymenopter, are modified here into two saw blades, which are used by the female to cut a wound in a plant's issue and deposit an egg. Often the plant reacts vy the formation of callus, an oviposition scar. In the cecidological literature they often are discussed as protocecidia. Often eggs are deposited on a row on a petiole of midrib, or in two rows at either side of the midrib.

The larvae are strictly phytophagous. They strongly resemble the caterpillars of Lepidoptera. Free living sawfly larve generally are quickly recognised by having between their head and thorax a distinct neck: in true caterpillars the head always is retracted more or less deeply into the thorax. Wehen disturbed may sawfly larve take a characteristic position: erect, with the body in an S-curve. Because sawfly larvae tend to be communal this is quite conspicuous and often photographed.

The similarity between caterpillars and sawfly larvae partly resided in the common possession of prolegs. Sawfly larvae have a pair of prolegs at least on abdomen segment: true caterpillars never have prolegs on that segment. The most common proleg arrangement in sawflies is on segments 2-8, and 10, i.e. eight pairs, while true caterpillars never have more than five pairs. The prolegs of sawfly larvae don't crochets at their end, while these are seldom missing in true caterpillars. However, in mining larvae of both Lepidoptera and sawflies both legs and prolegs may be more or less reduced, so this differential character cannot always be applied.

Sawfly larvae have one stemma (ocellus) at either side of the head, true caterpillars almost always have a group of sex stemmata there (Chevin, 1998a; Stehr, 1987a).

The final larval stage of Symphyta may be quite different from the previous: feet and mouth parts are reduced; this so-called prepupa is colourless and not or hardly mobile. At this stage the larva doest not feed any more

literatuur:

references:

Blank, Schmidt & Taeger (2006a), Gauld & Bolton (1988a), Liston (1995b), van Ooststroom (1976a), Taeger & Blank (1998a).

23/11/2014