Chytridiomycota: Synchytriaceae

De zoosporen (middels een flagel beweeglijke sporen) dringen een epidermis-cel van de waardplant binnen. Daarna volgt een aantal delingen, waardoor de de geparasiteerde cel gevuld is met een celmassa die fungeert als een sporangium. Uit dit sporangium komen nieuwe zoosporen, die nieuwe cellen infecteren en daar overgaan in dikwandige rustende sporangia, die overwinteren. De geïnfecteerde epidermis-cel kan opzwellen, en ook aangrenzende cellen kunnen vergroten en verkleuren.

Omdat de zoosporen alleen kunnen leven en bewegen in water infecteren Synchytriaceae vooral laagliggende plantendelen in en, tenminste tijdelijk vochtige omgeving.

The zoospores (motile spores, bearing a flagellum) penetrate an epidermis cell of the host plant. Then follows a series of divisions, eventually filling the parasitised cell with a mass that functions as a sporangium. From there new zoospores are released, that infect new cells, and transform there into thick-walled resting sporangia that will hibernate. The infected epidermis cell may become swollen, and also the adjacent cells may be enlarged and discoloured.

Because zoospores can survive and move only in water, Synchytriaceae mainly live on low-lying parts of a plant and in, at least temporary, damp situations.

literatuur:

references:

Alexopoulos, Mims & Blackwell (1996a), Karling (1964a), Rytz (1907).

26/12/2015