Aphanisticus emarginatus (Olivier, 1790)

Coleoptera, Buprestidae

mijn Ovipositie bij planten met herkenbare bladeren bij voorkeur op de 'oortjes', in minder mate op bladschede en stengel. De plek van de ovipositie wordt afgedekt met een pikzwart glimmend druppeltje opgedroogd secreet. Hier begint een oppervlakkige lange, kronkelende gang van uiteindelijk ca. 1 mm breed en gewoonlijk 35-50 mm lang, die meestal aanvankelijk naar beneden, later naar boven loopt. Op enkele plaatsen duikt de gang in diepere delen van het plantenweefsel en is dan even onzichtbaar. In deze diepere delen, die gewoonlijk propvol zitten met frass, vindt een vervelling plaats. Frasss geel, aanvankelijk fijnkorrelig, verderop grover. Verpopping in de mijn, in het tot een poppenwieg verbrede uiteinde van de mijn (Bilý, 2002a; Rennwald & Rennwald, 2002a).

mine In plants with recognisable leaves oviposition primarily on the auricles, otherwise on leaf sheaths or stem. Oviposition site covered with a jet black shining drop of dried secretion. From here starts a shallow, winding corridor of 35-50 mm length and eventually ca. 1 mm wide. Usually the corridor first descends, finally turns up. At some points the corridor dives deeper into the plant tissue and is invisible for a short stretch. In these deepter sections, that generally are crammed with frass, moulting takes place. Frass yellow, initially fine grained, later coarser. Pupation in the mine in the final section of the corridor, which is widenend into a pupal chamber (Bilý, 2002a; Rennwald & Rennwald, 2002a).

waardplanten: Junceae, monofaag

hostplants: Juncaceae, monofaag

Juncus acutiflorus, articulatus, compressus, conglomeratus, effusus, subnodulosus.

Meldingen van Carex of Eleocharis zijn dubieus, althans waneer het niet om zuid-europese waarnemingen gaat (Schaefer, 1949a).

Reports of Carex or Eleocharis are dubious, unless it concerns observations from southern Europe (Schaefer, 1949a).

fenologie Larven van midden mei tot begin juli (Rennwald & Rennwald, 2002a, Niehuis, 2004a)

phenology Larva from mid May till early July (Rennwald & Rennwald, 2002a, Niehuis, 2004a)

BENELUX

BE waargenomen (Rennwald & Rennwald 2002a; Niehuis, 2004a).

NE waargenomen (Vorst, 2009a).

LUX waargenomen (Rennwald & Rennwald 2002a; Niehuis, 2004a).

BENELUX

BE recorded (Rennwald & Rennwald 2002a; Niehuis, 2004a).

NE recorded (Vorst, 2009a).

LUX recorded (Rennwald & Rennwald 2002a; Niehuis, 2004a).

verspreiding binnen Europa Van Engeland tot Griekenland, en van Zuid-Rusland tot Spanje (Fauna Europaea, 2011).

distribution within Europe From Britain to Greece, and from South Russia to Spain (Fauna Europaea, 2011).

larve niet beschreven (Bilý, 1982a)

larva not described (Bilý, 1982a)

literatuur

references

Bilý (1982a, 2002a), Buhr (1933a), Cobos (1986a), Hering (1957a), Niehuis (2004a), Rennwald & Rennwald (2002a), Sánchez Sobrino & Tolosa Sánchez (2005a), Schaefer (1949a), Théry (1942a), Ugarte san Vicente ao (2006a), Verdugo Paez (1997a), Vorst (2009a).

26/12/2011