Orchestes fagi (Linnaeus, 1758)

Coleoptera, Curculionidae

Fagus sylvatica, België, prov. Antwerpen, Mol © Carina Van Steenwinkel

Orchestes fagi: mine on Fagus sylvatica

Fagus sylvatica, Belgium, prov. Antwerp, Mol © Carina Van Steenwinkel

begingang

Orchestes fagi: mine on Fagus sylvatica

initial gallery

mijn met verse cocoon

Orchestes fagi: cocoon in the mine

mine with fresh cocoon

Fagus sylvatica, Duin en Kruidberg: mijn met oude cocon

Orchestes fagi: mine with cocoon

Fagus sylvatica, Duin en Kruidberg: mine with old cocoon

ovipositie-litteken

Orchestes fagi: oviposition scar

oviposition scar

mijn Het ei wordt afgezet in de onderzijde van de hoofdnerf (zelden een dikke zijnerf). Op de plaats van de ovipositie zwelt de nerf, en splijt een paar mm open. De larve maakt een kort mijntje in de nerf, gaat al snel de bladschijf in met een aanvankelijk smalle, maar zich geleidelijk verbredende gang die meestal in de richting van de bladtop loopt. Het laatste deel van de mijn is tenslotte een brede blaas, die meestal een flink deel van de bladtop of bladrand beslaat. In het ganggedeelte ligt de fass in een onduidelijke middenlijn, verderop ligt het onregelmatig, vaak ook in langere draadjes. Eind mei maakt de larve binnen de mijn een kogelronde cocon en verpopt zich daar.

De mijn is aanvankelijk bijna wit, maar verbruint snel. Later in het jaar verweert de mijn totaal, maar de aantasting blijft meestal herkenbaar aan de geteisterde bladeren, die nog wel een duidelijk ovipositielitteken vertonen en vaak het eerste stuk van de begingang.

mine Oviposition in the underside of the midrib, rarely in a thick lateral vein. At this site the vein swells, and splits open over a few mm. The larve begins by making a short mine in hte midrib, but soon enters the blade with an intially narrow, but gradually widening corridor that generally runs towards the leaf tip. The final part of the mine is a broad blotch that generally occupies a sizable part of the leaf tip or leaf margin. Frass in the corridor part in an indistinct central line, higher up it is irregular, often also in longer threads. Against the end of May a globular cocoon is secreted by the larva inside the mine; here pupation takes place.

The mine initially is whitish, but it turns brown soon. Later the mine withers away totally, but the infestation remains visible in the ravaged leaves, that still show the oviposition scar and often also the first part of the corridor.

waardplanten: Fagaceae, monofaag

hostplants: Fagaceae, monophagous

Fagus sylvatica.

fenologie Larven in april-mei (Scherf, 1964a).

phenology Larvae in April-May (Scherf, 1964a).

BENELUX

BE waargenomen (Curculionidae.be, 2010).

NE waargenomen (Heijerman, 1993a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE recorded (Curculionidae.be, 2010).

NE recorded (Heijerman, 1993a)

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Noorwegen, Ierland en Frankrijk oostwaarts tot Polen, de Balkan en Italië.

distribution within Europe From Norway, Ireland and France eastwards till Poland, the Balkan Peninsula and Italy.

synoniemen Rhynchaenus, Euthoron, fagi

synonyms Rhynchaenus, Euthoron, fagi

opmerkingen In Nederland Vrij gewoon. Een enkele maal treedt massa-optreden op, waarbij vrijwel geen blad onaangetast blijft (von Frauenfeld, 1864a; Oudemans, 1929a). Zeer talrijk in Engeland (Morris, 1993a).

Nadat het wijfje uit de winterdiapause is gekomen moet ze eerst eten (van beuk, soms ook meidoorn, waarvan het blad zich iets eerder ontvouwt) om de eieren in haar lichaam tot ontwikkeling te brengen, pas daarna kan ovipositie plaatsvinden. Al binnen een week na het openen van de knoppen wordt het blad van de waardplant voor de larven te stug om in te mineren. Daarom is er maar éen generatie per jaar mogelijk. Een perfecte synchronisatie van het overwinterende wijfje met het openen van de knoppen is daarom van vitaal belang (Bale, 1984a).

notes In the Netherlands rather common. At times a mass-outbreak may occur, during which hardly any leave remains undamaged (von Frauenfeld, 1864a; Oudemans, 1929a). Very common in the UK (Morris, 1993a).

After the female has come out of the winter diapause she must first eat (beech leaves, sometimes hawthorn, of wich the leaves unfold somewhat earlier) to let the eggs in her body develop; only then oviposition can take place. Already in a week after bud burst the tissues of the beech leaves begin to toughen, and the larvae then cannot complete their development. Obviously, only one generation per year is possible. A perfect synchronisation of the hibernating female with bud burst is of vital importance (Bale, 1984a).

literatuur

references

Bale (1981a, 1984a), Bale & Luff (1978a), Beiger (1979a), Buhr (1933a), Caillol (1954a), Csóka (2003a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), von Frauenfeld (1864a), Haase (1942a), Hartig (1939a), Heijerman (1993a), Hering (1924a, 1930a, 1935a, 1957a), Huber (1969a), Kleine (1924a/1925a), Kollár (2007a), Kollár & Hrubík (2009a), Maček (1999a), Matošević, Pernek, Dubravac & Barić (2009a), le Monnier (2003a), Morris (1993a), Nowakowski (1954a), Oudemans (1929a), Reinheimer & Hassler (2010a), Robbins (1991a), Scherf (1964a), Seidel (1957a), Skala (1951a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Starý (1930a), Tomov & Krusteva (2007a), Trägårdh (1910a), Vorst (2010a), Zoerner (1969a, 1970a).

23/01/2017