Orchestes testaceus (Müller, 1776)

Coleoptera, Curculionidae

Alnus glutinosa, Hongarije, Kimle © László Érsek: mij met cocon

Orchestes testaceus: mine with cocoon

Alnus glutinosa, Hongarije, Kimle © László Érsek: mine with cocoon

larve in geopende cocon

Orchestes testaceus: larva in cocoon

larva in opned cocoon

Alnus x spaethii, Aalten

Orchestes testaceus: mine

Alnus x spaethii, Aalten

Alnus glutinosa, België, prov. Antwerpen, Balen, Scheps © Carina Van Steenwinkel

Orchestes testaceus: mine on Alnus glutinosa

Alnus glutinosa, Belgium, prov. Antwerp, Balen, Scheps © Carina Van Steenwinkel

zelfde blad, onderzijde, met ovipositie-litteken

Orchestes testaceus: mine on Alnus glutinosa

same leaf, underside, with oviposition scar

een andere mijn, in doorzicht

Orchestes testaceus: mine on Alnus glutinosa

another mine, lighted from behind

larve, ventraal

Orchestes testaceus: larva

larva, ventral view

Alnus incana, België, prov. Namen, Lives; © Jean-Yves Baugnée

Orchestes testaceus mine

Alnus incana, Belgium, prov. Namur, Lives; © Jean-Yves Baugnée

Alnus glutinosa, Orvelte

9963

Alnus glutinosa, Orvelte

mijn Het ei wordt afgezet in de onderzijde van de hoofdnerf of een dikke zijnerf; later is op deze plaats een groot litteken te zien. Aanvankelijk boort de larve een eindweegs in de (hoofd-)nerf, die als gevolg daarvan opzwelt en ietwat vervormt. Daarna begint de larve aan een aanvankelijk heel nauwe gang in de bladschijf, die zich snel en sterk verbreedt naar de bladtop toe. De mijn is daar roodbruin van kleur. De larve verpopt tenslotte in een donkerbruine bolvormige cocon in de mijn.

Omdat de mijn in het voorjaar gevormd wordt, in een tijd dat het blad zich nog aan het ontvouwen is, wordt het door de mineerder blijvend verfomfaaid. In de loop van de zomer verweert de mijn en verdwijnt, maar de combinatie van het ovipositie-litteken, de gezwollen nerf, en de vervormde bladtop waaraan een groot deel ontbreekt (waar de mijn heeft gezeten) is onmiskenbaar (onderste ©).

mine Oviposition in the underside of the midrib or a thick lateral vein; later a large scar is visible there. Initially the larva tunnels in the midrib or vein, that inflates and disfigures somewhat as a result. Then the larva starts a corridor in the leaf blade, quite narrow at first, but strongly widening as the larva approaches the leaf margin or leaf tip. The mine is reddish brown in colour. The mature larva makes itself a dark brown globular cocoon in the mine and pupates there.

Because the mine is made at a time that the leaf still is unfolding, the leaf becomes permanently rumpled. In the course of the summer the mine erodes away, but the combination of the oviposition scar, the swolllen mibrib and the frayed leave missing a large part of its distal half remains unmistakable (lower picture).

waardplanten: Betulaceae, oligofaag

hostplants: Betulaceae, oligophagous

Alnus glutinosa, incana, x pubescens, x spaethii; Betula nana, pendula, pubescens.

fenologie Larven in mei-juni (Scherf, 1964a); imagines komen uit in juni (Reinheimer & Hassler, 2010a).

phenology Larvae in May-June (Scherf, 1964a); adults emerge in June (Reinheimer & Hassler, 2010a).

BENELUX

BE waargenomen (Curculionidae.be, 2010).

NE waargenomen (Heijerman, 1993a).

LUX niet vermeld (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE recorded (Curculionidae.be, 2010).

NE recorded (Heijerman, 1993a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Vrijwel heel Europa, met uitzondering van Ierland, het Iberisch Schiereiland en de Balkan (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe Almost all of Europe, except Ireland, the Iberian Peninsula and the Balkan Peninsula (Fauna Europaea, 2007).

synoniemen Rhynchaenus, Trecticus, testaceus; Rhynchaenus scutellaris (Fabricius, 1801); Orchestes calceatus (Germar, 1821).

synonyms Rhynchaenus, Trecticus, testaceus; Rhynchaenus scutellaris (Fabricius, 1801); Orchestes calceatus (Germar, 1821).

opmerkingen Volgens Hering (1957a) is de soort in heel Europa zeer gewoon, en van Frankenhuyzen e.a. (1982a) bevestigen dit voor Nederland; voor wat de laatste jaren betreft zou ik de soort toch niet talrijk noemen. Ook in Engeland is de soort eerder schaars (Morris, 1993a).

Hoewel O. calceatus door de Fauna Europaea (2011) als een synoniem van testaceus wordt beschouwd bestaan er mogelijk wel biologische verschillen tussen deze twee taxa: testaceus zou uitsluitend leven op Alnus, calceatus alleen op Betula (Morris, 1993a; Reinheimer & Hassler, 2010a; Viramo, 1970a). O. calceatus valt dan nog uiteen in een ondersoort O. c. semirufus in West-Europa, en de typische ondersoort calceatus in Noord- en Oost-Europa (Viramo, 1970a).

notes According to Hering (1957a) the species is very common throughout Europe, and this is confirmed for the Netherlands by van Frankenhuyzen a.o. (1982a); in my experience during the last decade is rather uncommon in the Netherlands. Also in the UK the species is fairly scarce (Morris, 1993a).

Although the Fauna Europea (2011) considers O. calceatus and testaceus synonyms, there probably exist biological differences between both taxa: testaceus is said to live exclusively on Alnus, calceatus only on Betula (Morris, 1993a; Reinheimer & Hassler, 2010a; Viramo, 1970a). O. calceatus then can be divided in a western European subspecies O. c. semirufus and the typical subscies calceatus in northern and eastern Europe (Viramo, 1970a).

literatuur

references

Ahr (1966a), Beiger (1979a), Buhr (1933a, 1964a), Drăghia (1968a), van Frankenhuyzen & Houtman (1972a), van Frankenhuyzen a.o. (1982a), von Frauenfeld (1864a), Hartig (1939a), Heijerman (1993a), Hering (1927b, 1930a, 1957a), Huber (1969a), Kleine (1924/25a), Kozlov, van Nieukerken, Zverev & Zvereva (2013a), le Monnier (2003a), Morris (1993a), Reinheimer & Hassler (2010a), Robbins (1991a), Scherf (1964a), Seidel (1926a), Skala (1936a), Sønderup (1949a), Viramo (1962a, 1970a, 1975a), Vorst (2010a).

23/01/2017