Sphaeroderma rubidum (Graells, 1858)

Coleoptera, Chrysomelidae

Cirsium vulgare, Vlaardingen

9376

Cirsium vulgare, Vlaardingen

Cirsium arvense, Amstelveen

17401

Cirsium arvense, Amstelveen

mijn Lange gangmijn, zonder duidelijjke binding aan de bladrand, met weinig frass en met uitgevreten randen. Het eerste deel van de gang is voldiep, en loopt in een paar dichte windingen; het tweede deel is bovenzijdig, en aanzienlijk verbreed. Primaire vraatlijnen vaak duidelijk. Frass spaarzaam, onregelmatig. De larve is zo breed dat hij de hele mijn vult. Geen morfologische verschilkenmerken bekend tussen de larven van S. rubidum en S. testaceum (Steinhausen, 1994a). De larve verlaat de mijn, en overwintert in de bodem (de larve van testaceum overwintert in de mijn). Hering (1957a) noemt eenvoudige kenmerken om de imagines te onderscheiden, maar dat wordt door Warchalowski (2003a) weersproken.

mine Long corridor mine, without obvious relation with the leaf margin, with little frass and irregularly eaten out sides. The first part of the mine is full depth and makes a few close loops; the second part is upper-surface and considerably wider. Primary feedings lines often obvious. The larva is so broad that is completely fills the mine. No morphological differences are known between the larvae of S. rubidum and those of S. testaceum (Steinhausen, 1994a). The larva leaves the mine to pupate in the soil (the larva of testaceum hibernates in the mine.) Hering (1957a) suggests that the imagines are easily separated, but this is contradicted by Warchalowski (2003a).

waardplanten: Asteraceae, nauw oligofaag

hostplants: Asteraceae, narrowly oligophagous

Arctium; Carduus; Centaurea jacea; Cirsium; Cynara cardunculus, scolymus; Serratula.

Volgens Bukejs: Carduus, Cirsium en Onopordum.

According to Bukejs: Carduus, Cirsium and Onopordum.

fenologie Larven in september-november of nog later (Hering, 1957a).

phenology Larvae in September-November or even later (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

NE waargenomen (Beenen & Winkelman, 1993a; Fauna Europaea, 2007).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE observed (Fauna Europaea, 2007).

NE observed ((Beenen & Winkelman, 1993a; Fauna Europaea, 2007).

LUX observed (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa West, Midden en Zuid Europa, Britse Eilanden (Cox, 2007a; Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe West, Central and South Europe, also the British Isles (Cox, 2007a; Fauna Europaea, 2007).

opmerkingen Bij S. rubidum schrijft Cox dat de de eerste larvestadia boren in de hoofdnerf of een dikke zijnerf; dit wordt niet expliciet herhaald bij S. testaceum. Mogelijk een verschilkenmerk?

Op de Holterberg was de soort in 2006 plaatselijk zo talrijk dat een distelpopulatie er door te gronde werd gericht (foto).

Schadelijk in de kweek van kardoen (Iglesias ea).

notesIn connection with S. rubidum Cox writes that the first larval stages bore in the midrib and main lateral veins; this is not explicitely repeated for S. testaceum. Possibly a discriminating character?

At a location in the Netherlands the species was so abundant in 2006 that a population of Creeping Thistle was eradicated (photo).

A pest in the cultivation of cardoon (Iglesias ao).

literatuur

references

Beenen & Winkelman (1993a), Bukejs (2009a), Cox (2007a), Haase (1942a), Hering (1930a, 1957a), Huber (1969a), Iglesias, Varés &Sinobas (1999a), Lorenz (1997a), Robbins (1991a), Skala (1936a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Steinhausen (1994a), Warchalowski (2003a).

06/10/2016