Sphaeroderma testaceum (Fabricius, 1775)

Coleoptera, Chrysomelidae

Cirsium arvense, Zeewolde

Sphaeroderma testaceum<: mine and larva on Cirsium arvense

Cirsium arvense, Zeewolde

mijn Lange gangmijn, die vaak de bladrand volgt, met weinig frass en met uitgevreten randen. Het eerste deel van de gang is voldiep, en loopt in een paar dichte windingen; het tweede deel is bovenzijdig, en tamelijk verbreed. Primaire vraatlijnen vaak duidelijk. Frass spaarzaam, onregelmatig. Geen morfologische verschilkenmerken bekend tussen de larven van S. rubidum en S. testaceum (Steinhausen, 1994a). Er is wel een fenologisch verschil: de larve van testaceum overwintert in de mijn en zet zijn mineeractiviteit na de winter voort; S. rubidum verlaat voor de winter de mijn en verpopt in de grond. Hering (1957a) geeft aan dat de imagines gemakkelijk te onderscheiden zijn, maar dat wordt door Warchalowski (2003a) weersproken.

mine Long corridor, often following the leaf margin, with little frass and with the sides irrregularly eaten out. The first part of the corridor is full depth and makes a few close loops; the later part is more upper-surface and rather wide. Primary feeding lines often conspicuous. No morphological differences are known between the larva of S. rubidum and S. testaceum (Steinhausen, 1994a). However, there is a phenological difference: the larva of testaceum hibernates in the mine and continues feeding after winter; S. rubidum vacates the mine before winter and pupates in the soil. Hering (1957a) suggests that the identification of the beetles is an easy matter, but that is contradicted by Warchalowski (2003a).

waardplanten: Asteraceae, oligofaag

hostplants: Asteraceae,oligophagous

Carduus acanthoides, nutans, pycnocephalus; Centaurea; Cirsium acaulon, arvense, eriophorum, oleraceum, palustre, tuberosum, vulgare; Cynara scolymus; Onopordum acanthium; Serratula.

Volgens Bukejs alleen Carduus en Cirsium.

Bukejs mentions only Carduus and Cirsium.

fenologie Larven van augustus tot volgend jaar juni (Hering, 1957a).

phenology Larvae live from August till June next year (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

NE waargenomen (Beenen & Winkelman, 1993a; Fauna Europaea, 2007).

LUX waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE observed (Fauna Europaea, 2007).

NE observed (Beenen & Winkelman, 1993a; Fauna Europaea, 2007).

LUX observed Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa geheel Europa (Fauna Europaea, 2007; Warchalowski, 2003a).

distribution within Europe All Europe (Fauna Europaea, 2007; Warchalowski, 2003a).

opmerkingen Volgens Doguet (1994a) en Cox (2007a) overwinteren zowel S. rubidum als S. testaceum als larve! Bij S. rubidum schrijft hij dat de de eerste larvestadia boren in de hoofdnerf of een dikke zijnerf; dit wordt niet expliciet herhaald bij S. testaceum. Mogelijk een verschilkenmerk?

notes According to Doguet (1994a) and Cox (2007a) both S. rubidum and S. testaceum hibernate as larva! In connection with S. rubidum they write that the first larval stages bore in the midrib and main lateral veins; this is not explicitely repeated for S. testaceum. Possibly a discriminating character?

literatuur

references

Ahr (1966a), Beenen & Winkelman (1993), Beiger (1958a, 1970a), Buhr (1933a, 1964a), Bukejs (2009a), Cox (2007a), Doguet (1994a), Hering (1925a, 1930a, 1957a), Huber (1969a), Maček (1999a), Michalska (1970a), Robbins (1991a), Nowakowski (1954a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Starý (1930a), Steinhausen (1994a), Warchalowski (2003a), Zoerner (1969a, 1970a).

18/01/2017