genus Zeugophora

Coleoptera, Chrysomelidae

Populus nigra, Duine en Kruidberg

>Zeugophora spec.: mine on Populus nigra

Populus nigra, Duin en Kruidberg

twee ovipositie-littekkens (ze liggen niet altijd zo aan de rand)

Zeugophora spec.: ovipostion scars

two oviposition scars (the not always are positioned marginally)

Uit Europa zijn vier Zeugophora-soorten bekend: flavicollis, scutellaris, subspinosa en turneri. (De Fauna Europaea (2007) noemt nog een vijfde, Z. frontalis, maar dit is volgens vrijwel alle deskundigen nier meer dan een kleurvorm van scutellaris.)

Voor de vier resterende soorten geldt: Grote, zwartbruine bovenzijdige blaasmijn. De eieren wordt aan de bladonderzijde gelegd in een groefje, dat met secreet wordt afgedekt (Urban, 1922a). Later is deze plek nog als een oranje doorschijnend vlekje in de mijn terug te vinden. De larve is geel, afgeplat, met een duidelijke kop maar zonder borstpoten. Ze leven met een groepje in de mijn, en verlaten deze voor de verpopping via de bovenepidermis. Zie Warchalowski (2003a) voor de verschilkenmerken van Z. flavicollis, scutellaris, subspinosa en turneri bij de imagines.

Nog maar kortgeleden ontdekte ik de tabel van Jong Eun Lee (1998a) voor de Noord-Amerikaanse en Europese Zeugophora-larven. Helaas heeft Jong Eun Lee Z. turneri niet opgenomen. Verwarrend is echter vooral dat hij stelt dat de drie andere Europese soorten alle een tweetandige mandibel hebben, terwijl zowel Steinhausen (1994a) als Urban (1922a) schrijven dat flavicollis een drietandige mandibel heeft. Ook een afbeelding van de larve van Z. scutellaris in Lawson (1991a) toont een mandbel met drie tanden van gelijke grootte.

De foto's van de larven moeten het dus voorlopig zonder soortsnaam doen.

Four Zeugophora species are known from Europe: flavicollis, scutellaris, subspinosa and turneri. (The Fauna Europaea (2007) mentions a fifth species, Z. frontalis, but there is wide consensus that this is but a colour form of scutellaris.)

The four remaining species make large, blackish-brown upper-surface blotches. The eggs are deposited at the leaf underside; they are inserted in a small pit, that is covered by secretion (Urban, 1922a). This oviposition site remains visible as an orange transparant spot in the mine, often near its border. The larva is yellow, flattened, and legless. They live in a small group in the mine, vacating the mine before pupation through an upper-surface exit slit. See Warchalowski (2003a) for a key to beetles of Z. flavicollis, scutellaris, subspinosa and turneri.

Only shortly ago I discovered the key to the Zeugophora species of North America and Europe by Jong Eun Lee (1998a). Unfortunately, Jong Eun Lee has not taken Z. turneri into account. Quite confusing however is that he states that the mandibles of the other three European species have mandibles with 2 teeth, while both Steinhausen (1994a) and Urban (1922a) write that flavicollis has 3 mandibular teeth. Also an illustration of the larva of Z. scutellaris in Lawson (1991a) shows three, equal sized, teeth.

The pictures of the larvae therefore have to do without a specific name for the time being.

modif. 24.x.2007