Agromyza abiens Zetterstedt, 1848

Diptera, Agromyzidae

Cynoglossum officinale, Castricum aan Zee

Agromyza abiens mines

Cynoglossum officinale, Castricum aan Zee

Lithospermum officinale, Overveen

9569

Lithospermum officinale, Overveen

Symphytum officinale, Neerijnen

1627

Symphytum officinale, Neerijnen

Omphalodes verna, Amsterdam: frass

13982

Omphalodes verna, Amsterdam: frass

Cynoglossum, Amsterdamse Waterleidingduinen: deel van een begingang

15723

Cynoglossum, Amsterdamse Waterleidingduinen: part of an initial corridor

mijn De mijn begint met een smal, parallelwandig gangetje van 1 - 8 cm met een mooi dubbel frasspoor, na de eerste vervelling voortgezet in, en meestal overlopen door, een grote, primaire, bruine blaasmijn (jeugdmijnen zie fig). In de begingang ligt de frass in korte draadstukjes, in de blaas in hoekige brokjes en, vaak vertakte draadstukjes (dat laatste hangt ermee samen dat de frass opvallend kleverig is). Primaire en secundaire vraatsporen duidelijk. De uiteindelijke mijn is zeer groot, en bevat meestal verscheidene larven, als gevolg van fuseren van een aantal mijnen. Die verlaten voor de verpopping de mijn via een boogvormige snede in de epidermis, meestal aan de bovenzijde, minder vaak aan de onderzijde.

mine The mine begins with a narrow, parallel sided corridor af 1-8 cm in length, with a nice double frass line. After the first moult the corridor is succeeded, and mostly overrun, by a large, primary, brown blotch (for a picture of rather young blotch mines click here). Frass in the initial corridor in short thread fragments, in the blotch in angular granules and thread fragments that often are branching (the frass is unusally sticky). Primary and secondary feeding lines conspicuous. The final mine often is very large and generally contains several larvae, because normally several mines develop on a leaf, and coalesce into one big blotch. Before pupation the larvae leave the mine through a semicircular exit slit that mostly, but not invariably, is in the upper epidermis.

waardplanten Boraginaceae, oligofaag

hostplants Boraginaceae, oligophagous

Aegonychon purpurocaeruleum; Amsinckia (?); Anchusa azurea, capensis, officinalis; Asperugo procumbens; Borago officinalis; Brunnera macrophylla; Buglossoides arvensis; Cerinthe glabra, minor; Echium fastuosum, italicum, plantagineum, vulgare; Cynoglossum cheirifolium, creticum, officinale; Lappula squarrosa; Lindelofia longiflora; Lithospermum officinale; Lycopsis arvensis; Myosotis alpestris, arvensis, laxa subsp. caespitosa, ramossisima, scorpioides, sylvatica; Nonea pulla; Omphalodes verna; Onosma visianii; Pentaglottis sempervirens; Podonosma; Pulmonaria maculata, mollis, montana, obscura, officinalis, rubra; Solenanthus apenninus; Symphytum officinale, tuberosum.

Wat Buhr (1932a) bedoelde met Rinderia canescens is niet duidelijk.

What Buhr (1932a) had in mind with Rinderia canescens is not clear.

fenologie Larven in mei-juli en augustus-november (Hering, 1957a).

phenology Larvae in May-June and August-November (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Ellis).

NE Reeds de Meijere (1924a) vond de soort talrijk in de duinen (op hondstong).

LUX waargenomen (Ellis).

BENELUX

BE observed (Ellis).

NE Already de Meijere (1924a) found the species common in the dunes (on Hound's-tongue).

LUX observed (Ellis).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Ierland tot Roemenië (Fauna Europaea, 2007); ook Turkijë (Cikman & Civelek, 2005a).

distribution within Europe From Scandinavia to the Iberian Peninsula and Italy, and from Ireland to Roumania (Fauna Europaea, 2007); also Turkey (Cikman & Civelek, 2005a).

synoniemen Agromyza echii Kaltenbach, 1860; A. rufipes: auct. nec Meigen, 1830. De foutieve interpretatie van de naam rufipes heeft geduurd tot een revisie door Nowakowski (1964a).

synonyms Agromyza echii Kaltenbach, 1860; A. rufipes: auct. nec Meigen, 1830. The erroneous interpretation of the name rufipes has persisted until a revision by Nowakowski (1964a).

opmerkingen Meestal worden op een groot blad een aantal mijnen gevormd, die tot een geheel samenvloeien, en bijna een heel grondblad van smeerwortel kunnen beslaan. Zulke volgroeide mijnen zijn moeilijk te onderscheiden van die van Agromyza ferruginosa. Van die soort worden de eieren echter in een groepje gelegd, van waaruit de larven schouder aan schouder één brede gang maken (die later overgaat in een gtote blaas). Sporen van een één-larfs begingang zijn daarom een zekere aanwijzing voor A. abiens.

notes Generally, several mines develop on a larger leaf, fusing into a mine that can be as huge as to almost occupy a lower leaf of a Comfrey plant. Mines at this stage are extremely similar to those of Agromyza ferruginosa. In the latter species the eggs are layed in a small group, from where the larvae upon hatching start by making a broad initial corridor, working shoulder to shoulder. Traces of a one-larva inital corridor therefore are a sure sign of A. abiens.

literatuur

references

Ahr (1966a), Amsel & Hering (1933a), Beiger (1955a, 1960a, 1965a, 1970a, 1979a), Beuk (2002a), Bland, 1977a, Buhr (1932a, 1941b, 1964a), Černý (2004a, 2007a, 2011a), Černý & Merz (2006a, 2007a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Cikman & Civelek (2005a), Civelek ao (2007a), Dempewolf (2001a), Drăghia (1967a, 1968a, 1971a, 1972a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Gil Ortiz (2009a), Hartig (1939a), Hering (1924a, b, 1925a, 1932b,g, 1955b, 1957a, 1967a), Huber (1969a), Kabos (1971a), Kvičala (1938a), Maček (1999a), de Meijere (1895a, 1925a), Michalska (1970a, 1972a, 1976a), Michna (1975a), Niblett (1956a), Nowakowski (1954a, 1964a), Pakalniškis (1983a), Papp & Černý (2015a), Pârvu (2005a), Popescu-Gorj & Drăghia (1968a), Robbins (1991a), Seidel (1957a), Skala (1941a, 1951a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spencer (1957f, 1967a, 1972a,b, 1973c), Starke (1942a), Starý (1930a), Stolnicu (2008a), Süss (1982a), von Tschirnhaus (1999a), Ureche (2010a), Utech (1962a), Zoerner (1969a).

20/01/2017