Agromyza albipennis Meigen, 1830

Diptera, Agromyzidae

Phalaris arundinacea, Vierlingsbeek

13803

Phalaris arundinacea, Vierlingsbeek

mijn Eieren worden afgezet in de buurt van de bladrand, op enige afstand van de bladspits. Hieruit ontstaat een bovenzijdige gang-blaasmijn. Aanvankelijk gaat de mijn als een nauwe gang in de richting van de bladtop; na verloop van tijd keert de richting om en loopt de mijn, nu snel breder wordend, in de richting van de bladbasis. Frass onregelmatig, in vrij grove korrels. Larve solitair. Verpopping meestal buiten de mijn; in dat geval kleeft het puparium vaak aan het blad.

Volgens Dempewolf (2004a) alleen middels de mannelijke genitaliën te onderscheiden van A. graminicola en A. nigripes.

mine Oviposition near the leaf margin, at some distance from the leaf tip. From there develops an upper-surface corridor-blotch. At first the mine ascends as a narrow corridor towards the leaf tip, then the direction turns and the mine, steadily widening, descends in the direction of the leaf base. Frass irregular, in rather coarse grains. Larva solitary. Pupation mostly outside the mine; in that case the puparium often sticks to the leaf.

According to Dempewolf (2004a) only the male genitalia enable a reliable discrimination from A. graminicola and A. ngiripes.

waardplanten: Poaceae

hostplants: Poaceae

Agrostis stolonifera; Arrhenatherum elatius; Brachypodium sylvaticum; Calamagrostis arundinacea; Deschampsia cespitosa; Festuca; Hordeum murinum, vulgare; Phalaris arundinacea; Phleum pratense; Poa trivialis; Secale cereale; Setaria viridis.

Phalaris is de voornaamste waardplant. Opgaven van Glyceria maxima als waardplant hebben zeer waarschijnlijk betrekking op A. nigripes. Vermeldingen van Phragmites australis zijn nogal twijfelachtig: mogelijk verwarring van de waardplant met Phalaris (Griffiths, 1963a). Ook het voorkomen op Bromus en Holcus, vermeld door Robbins (1991a) moet nader worden bevestigd.

Naast de al genoemde plantengeslachten noemen Benavent ea (2004a) nog: Dactylis, Milium en Triticum.

Phalaris is the main hostplant. Records from Glyceria maxima most probalby refer to A. nigripes. Records from Phragmites australis may be due to confusion of the hostplant with Phalaris (Griffiths, 1963a). Also the occurrence on Bromus and Holcus, reported by Robbins (1991a) needs conformation.

Next to the plant genera mentioned already, Benavent ao (2004a) list: Dactylis, Milium, and Triticum.

fenologie Larven in verscheidene genenaties tussen juni en october (Dempewolf, 2004a).

phenology Larvae in several generations between June and October (Dempewolf, 2004a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & Verdyck, 1993a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE recorded (Scheirs, De Bruyn & Verdyck, 1993a).

NE recorded (de Meijere, 1924a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Ierland tot de Baltische Staten (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe From Scandinavia to the Iberian Peninsula and Italy, and from Ireland to the Baltic States (Fauna Europaea, 2007).

synoniemen Agromyza albohyalinata Zetterstedt, 1848, A. dubitata Malloch, 1913, A. fennica Griffiths, 1963.

synonyms Agromyza albohyalinata Zetterstedt, 1848, A. dubitata, A. fennica Griffiths, 1963.

opmerkingen Hier en daar in beperkte mate schadelijk op graan (Darvas, Skuhravá & Andersen, 2000a).

notes Here and there some limited damage to cereal crops (Darvas, Skuhravá & Andersen, 2000a).

literatuur

references

Andersen & Jonassen (1994a), Beiger (1989a), Benavent, Martínez, Moreno & Jiménez (2004a), Beuk (2002a), Buhr (1941b), Černý (2001a, 2011a), Černý, Barták & Roháček (2004a), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Darvas & Papp (1985a), Darvas, Skuhravá & Andersen (2000a), Dempewolf (2001a, 2004a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1962a, 1963a), Hering (1957a), Huber (1969a), Manning (1956a), de Meijere (1924a, 1939a), Pakalniškis (1982b, 1998a, 2000a), Papp & Černý (2015a), Robbins (1991a), Scheirs, De Bruyn & Verdyck (1993a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1996a, 1999a), Sasakawa (1961a), Sønderup (1949a), Spencer (1954b, 1972a,b, 1973b, 1976a), Süss (1992a), von Tschirnhaus (1999a), Vála & Rohacek (1983a).

27/04/2017