Agromyza ambigua Fallén, 1823

Diptera, Agromyzidae

mijn De ondiepe, wittige, mijn begint (niet zeer dicht bij de basis van de bladschijf) als een fijn oplopend gangetje. Dit wordt overlopen als de mijn omkeert en snel breder wordt. De uiteindelijke mijn is kenmerkend kort; vaak wordt niet de volle bladbreedte benut. Frass in grote zwarte korrels, nooit groenig. Verpopping buiten de mijn.

mine The shallow, whtish mine starts (not very close to the base of the lamina) as a fine ascending corridor. This is overrun when the direction alternates, and the mine quickly widens. The final mine is characteristically short; often not the full width of the leaf is used. Frass in big black grains, never greenish. Pupation outside the mine.

waardplanten: Poaceae

hostplants: Poaceae

Avena sativa; Dactylis; Hordeum distichon, murinum, vulgare; Secale cereale; Triticum aestivum.

Door Huber (1969a) vermeld van Phleum pratense, maar dat is niet door kweken bevestigd.

Reported from Phleum pratense by Huber (1969a), but this has not been confirmed by breeding.

fenologie Larven in juni (Hering, 1957a). Een enkele generatie (Venturi, 1934a; Hering, 1957a).

phenology Larvae in June (Hering, 1957a). One generation only (Venturi, 1934a; Hering, 1957a).

BENELUX

BE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE not recorded (Fauna Europaea, 2007).

NE observed (de Meijere, 1924a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Engeland tot Servië (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe From Scandinavia to the Iberian Peninsula and Italy, and from Britain to Serbia (Fauna Europaea, 2007).

larve Larve met een drietandige mandibel, de basale tand veel kleiner dan de volgende twee (Hering, 1953a). De banden fijne stekeltjes voor- en achterop de thorax- en abdomensegmenten van de larve zijn normaal, dus relatief smal, en vloeien nergens samen (in tegenstelling tot bij A. nigrociliata). De achterspiracula liggen ver uiteen, elk met 3 papillen. Achter de mandibels een mediaan veld met stekeltjes (kenmerk van de Agromyza ambigua -groep van Griffiths, 1963a).

De larve wordt ook beschreven en afgebeeld door Beri (1971c), aan de hand van materiaal uit India op een Setaria-soort. Hij schrijft echter dat de linker mandibel 2 en de rechter 1 tand heeft, wat de vraag doet rijzen of hij de Europese soort gezien heeft.

larva The mandible with two normal teeth, and a smaller additional basal one (Hering, 1953a). The girdles of fine spinulation along the anterior and posterior margins of the body segments normal, i.e., relatively narrow, nowhere fusing together (unlike in A. nigrociliata). Rear spiracula far apart, each with 3 papillae. Behind the mandibles ventrally a median field with fine spines (character of the Agromyza ambigua group of Griffiths, 1963a).

The larva is also described and illustrated by Beri (1971c), based on material from India, living on a Setaria species. However, he describes the left mandible as having 2, the right one 1 tooth, which makes it questionable if he had the European species in front of him.

puparium Geelbruin (Spencer, 1973b).

puparium Yellowish brown (Spencer, 1973b).

synoniemen Domomyza ambigua; Agromyza heteroptera (Loew, 1858); A. niveipennis Zetterstedt, 1848 (maar 'niveipennis' bij de Meijere, 1943 heeft betrekking op A. nigrociliata Hendel, 1931 [Hering, 1953a]).

synonyms Domomyza ambigua; Agromyza heteroptera (Loew, 1858); A. niveipennis Zetterstedt, 1848 (but 'niveipennis' in de Meijere, 1943 refers to A. nigrociliata Hendel, 1931 [Hering, 1953a]).

opmerkingen Mijnen in het bijzonder op de hogere (jongere) bladeren van de plant (Hering, 1957a).

De beschrijving door Venturi (1939a) van de biologie van deze soort (als niveipennis) heeft vermoedelijk betrekking op Pseudonapomyza atra (Spencer, 1973b).

Spadic (1991a) meldt aanzienlijke schade aan tarwe en gerst in Servië, maar zijn beschrijving van de mijn maakt het waarschijnlijk dat zijn determinatie niet juist was.

notes Mines particularly in the uppermost (youngest) leaves of the plant (Hering, 1957a).

The description by Venturi (1939a) of the biology of this species (as niveipennis) probably refers to Pseudonapomyza atra (Spencer, 1973b).

Spadic (1991a) records serious damage to wheat and barley in Serbia, but his description of the mine suggests that his identification was not correct.

literatuur

references

Beiger (1955a, 1960a, 1989a), Benavent, Martínez, Moreno & Jiménez (2004a), Beri (1971c), Beuk (2002a), Bland (1994c), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Dempewolf (2004a), van Frankenhuyzen Houtman & Kabos (1982a), Gallo (1996a), Griffiths (1963a), Hering (1925a, 1943a, 1953a, 1956a, 1957a, 1962a), Huber (1969a), Kabos (1971a), de Meijere (1924a, 1939a), Papp & Černý (2015a), Parmenter (1949a), Skala & Zavřel (1945a), Sønderup (1949a), Spadic (1991a), Spencer (1972a, 1973b, 1976a), Süss (1982a), von Tschirnhaus (1999a), Venturi (1934a, 1939a).

27/04/2017