Agromyza cinerascens Macquart, 1835

Diptera, Agromyzidae

mijn Diepe mijn, afdalend vanaf de bladtop, onregelmatig verbreed. Frass vervloeiend, slechts enkele korrels zichtbaar; mijn groenig. Verpopping buiten de mijn.

mine Deep mine, descending from the leaf tip, irregularly widening. Frass deliquescent, only a few grains recognisable, mine greenish. Pupation outside the mine.

waardplanten: Poaceae, oligofaag

hostplants: Poaceae, oligophagous

Dactylis glomerata; Milium effusum; Secale cereale.

Dactylis is de voornaamste waardplant.

Dactylis is the main hostplant.

fenologie Larven in mei-juni (Hering, 1957a).

phenology Larvae in May-June (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1996a).

NE waargenomen (de Meijere, 1924a, 1939a). Volgens Hering (1957a) zeer gewoon, maar dat blijkt in Nederland niet (meer) op te gaan.

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE observed (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1996a).

NE observed (de Meijere, 1924a, 1939a). According to Hering (1957a) a quite common species, but this does not apply (at least presently) to the Netherlands.

LUX not observed (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Scandinavië tot het Iberisch Schiereiland en Italië, en van Engeland tot Wit-Rusland en Hongarijë (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe From Scandinavia to the Iberian Peninsula and Italy, and from the UK to Belarus and Hungary (Fauna Europaea, 2007).

larve Onder de mandibels geen veldje met bestekelde wratjes. Voorspiraculum gegaffeld, met ca. 18 papillen. Achterspiracula tamelijk dicht bijeen, met 3 papillen. Mandibels met 2, niet-alternerende tanden.

larva Below the mandibles no field with spiny warts. Front spiracles bifid, about 18 papillae. Rear spiracula rather strongly approaching, with 3 papillae. Mandibles with 2, not alternating, teeth.

puparium Zwart.

puparium Black.

synoniemen De Meijere (1928a) beschrijft het puparium, maar later (1934a) blijkt dat dit om een mix gaat van de twee zeer nauw verwante soorten cinerascens en intermittens. De kleur van het puparium die hij vermeldt (glanzend geel- tot bruinrood) heeft betrekking op intermittens.

synonyms De Meijere (1928a) described the puparium, but some years later (1934a) it appeared that had been working on a mixture of two closely related species, viz., cinerascens and intermittens. The colour of the puparium, as described in the first paper (shining yellow- to brown red) applied to intermittens.

synoniemen Domomyza cinerascens.

synonyms Domomyza cinerascens.

opmerkingen Op grond van de structuur van de mannelijke genitaliën nauw verwant met A. intermittens en A.luteitarsis (Spencer, 1990a); zie ook Griffiths (1963a). Het is daarom aannemelijk dat de kenmerkende 'sikkelmes-achtige' papillen van de achterspiracula, die door Darvas, Skuhravá & Andersen (2000a) voor deze twee soorten afbeelden, ook bij cinerascens optreden.

notes The structure of the male genitalia indicates a close relationship with A. intermittens and A.luteitarsis (Spencer, 1990a); see also Griffiths (1963a). It is therefore reasonable to assume that the characteristic sickle-shaped papillae of the rear spiracula that are figured by Darvas, Skuhravá & Andersen (2000a) for the latter two species also occur in cinerascens.

literatuur

references

Beuk (2002a), Černý & Merz (2005a, 2007a), Černý & Vála (1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Dempewolf (2004a), van Frankenhuyzen, Houtman & Kabos (1982a), Griffiths (1963a), Hering (1925a, 1955b, 1957a), de Meijere, 1924a, 1939a), Pakalniškis (200a), Pakalniškis ao (2000a), Papp & Černý (2015a), Parmenter (1949a), Robbins (1991a), Sasakawa (1961a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1996a), Spencer (1966b, 1972a, 1974a, 1976a, 1990a), Süss (1979a), von Tschirnhaus (1999a), Vála & Rohacek.

17/01/2016