Agromyza graminicola Hendel, 1931

Diptera, Agromyzidae

mijn Eieren worden individueel afgezet in de buurt van de bladrand, op enige afstand van de bladspits. Hieruit ontstaat een bovenzijzdige gang-blaasmijn. Aanvankelijk gaat de mijn als een nauwe gang in de richting van de bladtop; na verloop van tijd keert de richting om en loopt de mijn, nu snel breder wordend, in de richting van de bladbasis. Frass in twee rijen. Verpopping binnen de mijn.

Volgens Dempewolf (2004a) alleen middels de mannelijke genitaliën te onderscheiden van A. albipennis en A. nigripes.

mine Eggs are deposited singly, near the leaf margin, at some distance from the leaf tip. From this point an upper-surface corridor-blotch develops. Initially a narrow corridor ascends towards the tip; after some time the direction switches and the mine, now widening quickly, descends towards the leaf base. Frass in two rows. Puparium within the mine.

According to Dempewolf (2004a) only the male genitalia enable a reliable discrimination from A. albipennis and A. ngiripes.

waardplanten: Poaceae, nauw oligofaag

hostplants: Poaceae, narrowly oligophagous

Arundo donax; Phragmites australis.

fenologie Larven in juni en augustus (Hering, 1957a).

phenology Larvae in June and August (Hering, 1957a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1995a).

NE niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE recorded (Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus, 1995a).

NE not recorded (Fauna Europaea, 2007).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Zweden en Engeland tot de Baltische Staten en Hongarijë; ook Spanje, Cyprus en Noord-Afrika (Černý & Merz, 2006a; Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe From Sweden and the UK to the Baltic States and Hungary; also Spain, Cyprus and northern Africa (Černý & Merz, 2006a; Fauna Europaea, 2007).

larve De mandibel heeft twee tanden. De achterspiracula zijn van elkaar gescheiden door ongeveer driemaal hun diameter (Griffiths, 1963a).

larva Mandible with 2 teeth. Rear spiracula separated by about three times their diameter (Griffiths, 1963a).

opmerkingen Eind october 2005 vonden we in het Zwanenwater een paar mijnen die zeer waarschijnlijk tot deze soort behoren. Omdat ze alleen puparia bevatten is de determinatie niet volstrekt zeker.

A. graminicola behoort tot de A. nigripes-soortengroep van Griffiths (1963a).

notes End October 2005 some mines were found in the Netherlands (het Zwanewater) that probably belong to this species. Because the mines only contained puparia a definite identification was not possible.

A. graminicola belongs to the A. nigripes species group of Griffiths (1963a).

literatuur

references

Černý & Merz (2006a), Černý, Vála & Barták (2001a), Ci̇velek, Çikman & Dursun (2008a), Civelek, Tonguc, Ozgul & Dursun (2007a), Cole (1998a), Dempewolf (2004a), Gil Ortiz (2009a), Hering (1936b, 1957a), Maček (1999a), Nartshuk (2011a), Pakalniškis (1986a), Papp & Černý (2015a), Spencer (1957f, 1976a), von Tschirnhaus (1999a).

28/04/2017