Agromyza hendeli Griffiths, 1963

Diptera, Agromyzidae

mijn Het wijfje zet 3 of 4 eieren af in een rijtje dwars op de bladrand. De larven die eruit komen vreten elk een eigen gangetje in de richting van de bladtop. De gangetjes worden breder, en versmelten tot één gemeenschappelijke bovenzijdige mijn. Frass in vrij grote brokjes. De verpopping vindt meestal plaats buiten de mijn.

mine Three or four eggs are deposited in a row, at right angle to the leaf margin. After hatching each of the larvae makes a corridor in the direction of the leaf tip. The corridors widen, and fuse into one upper-surface blotch. Frass in comparatively large lumps. Pupuation as a rule outside the mine.

waardplanten: Poaceae, monofaag

hostplants: Poaceae, monofaag

Phragmites australis.

fenologie Larven in juni en augustus (Hering, 1957a), in twee generaties (Griffiths, 1962a).

phenology Larvae in June and August (Hering, 1957a), in two generations (Griffiths, 1962a).

BENELUX

BE waargenomen (Scheirs & De Bruyn, 1992a).

NE waargenomen (de Meijere, 1925a).

LUX niet waargenomen (Fauna Europaea, 2007).

BENELUX

BE recorded (Scheirs & De Bruyn, 1992a).

NE recorded (de Meijere, 1925a).

LUX not recorded (Fauna Europaea, 2007).

verspreiding binnen Europa Van Zweden tot Italië, en van Engeland tot de Baltische Staten en Slowakije (Fauna Europaea, 2007).

distribution within Europe From Sweden to Italy, and from the UK to the Baltic States and Slovakia (Fauna Europaea, 2007).

larveAchteruitsteeksels van het kopskelet sterk gechitiniseerd, bruin of zwart. Achterspiracula ongeveer even ver uiteeen als hun eigen diameter. De larve wordt beschreven door Griffiths (1963a) en de Meijere (1925a, als nigripes); de aanvullende beschrijving door de Meijere (1943a) bevat onjuistheden.

De donkere achteruitsteeksels van het kopskelet onderscheiden deze soort gemakkelijk van A. phragmitidis, die eveneens op Phragmites leeft. Het is nog niet mogelijk larven van hendeli te onderscheiden van die van de zeldzame A. spenceri.

larva Rear arms of the cephalic skeleton strongly sclerotised, brown or black. Rear spiracula separated by about their diameter. The larva is described by Griffiths (1963a) and de Meijere (1925a, as nigripes); the supplementary description by de Meijere (1943a) contains mistakes.

The dark rear arms of the cehalic skeleton easily separate the larvae of this species from those of A. phragmitidis, that also lives on Phragmites. However, there still is no way to distinguish the larvae of hendeli from those of the rare A. spenceri.

synoniemen Agromyza nigripes: de Meijere (1925a), A. lucida: Hering (1957a) [Griffiths, 1963a].

synonyms Agromyza nigripes: de Meijere (1925a), A. lucida: Hering (1957a) [Griffiths, 1963a].

opmerkingen De wijze van opvipositie, in een dwarsrijtje aan de bladrand, is kenmerkend voor A. hendeli, A. phragmitidis en A. spenceri (Griffiths, 1963a).

A. hendeli behoort tot de A. nigripes-soortengroep van Griffiths (1963a).

notes The mode of ovipsition, several eggs in a transverse row, at right angle to the leaf margin, is characteristic for the three species A. hendeli, A. phragmitidis and A. spenceri (Griffiths, 1963a).

A. hendeli belongs to the A. nigripes species group of Griffiths (1963a).

literatuur

references

Beuk (2002a), Černý (2001a, 2011a), Černý & Merz (2007a), Černý & Vála (1996a, 1999a), Černý, Vála & Barták (2001a), Drăghia (1968a), Griffiths (1962a, 1963a), Hering (1957a), de Meijere (1925a), Michalska (1970a, 1976a), Nartshuk (2011a), Pakalniškis (1982b), Papp & Černý (2015a), Popescu-Gorj & Drăghia (1968a), Robbins (1991a), Scheirs & De Bruyn (1992a), Scheirs, De Bruyn & von Tschirnhaus (1996a), Scheirs, De Bruyn & Verdyck (1993a), Sønderup (1949a), Spencer (1971a, 1976a), Starý (1930a [nigripes]), von Tschirnhaus (1999a).

17/01/2016